maandag 28 december 2009

Nodig in Vlaanderen, nuttig in Europa

Het begrip subsidiariteit is een moeilijk begrip. Dat blijkt uit het feit dat over het begrip tenminste twee betekenissen in circulatie zijn.

Ik begin met betekenis nummer één. Ze werd onlangs verwoord door Stijn Vandamme in Necessariis Diversitas. Daarin lijkt Vandamme zich aan te sluiten bij een strekking binnen de N-VA, voor dewelke subsidiariteit zoiets betekent als: “bevoegdheden worden beheerd op het niveau dat daarvoor het best geschikt is.”

Ik verwerp deze betekenis. Een beroep op deze betekenis van subsidiariteit lost namelijk niets op. Belgicisten houden immers vol dat hun politieke constructie het meest geschikte niveau is. Er is een extern criterium nodig.

Vandamme, en met hem een aantal mensen binnen de N-VA, menen dat criterium te kunnen vinden in de afweging van schaalvoordelen versus heterogeniteitskosten. Op het snijpunt van deze twee krommen doet zich de omslag voor in de één of andere richting. Als de heterogeniteitskosten te hoog worden ten aanzien van de schaalvoordelen, is het beter de bestaande politieke structuur te splitsen, i.c. de Belgische staat.

Die redenering lijkt heel logisch en schept helderheid, maar ze wekt helemaal geen vertrouwen. Zeker niet in tijden waarin duidelijk gebleken is hoe zwak economische berekeningen en analyses zijn, als het aankomt op het onderbouwen van oplossingen voor dubbelzinnige en verwarde toestanden. In het Belgische geval komt daar nog eens bovenop dat de waardering van wat men een heterogeniteitskost noemt, sterk afhankelijk is van de politieke voorkeur van de beslisser. Als je overtuigd belgicist bent, dan hecht je gewoon nauwelijks belang aan de verschillen in mentaliteit of cultuur tussen Vlaanderen en Wallonië.

De tweede betekenis is mijn inziens veel fundamenteler. Ze onttrekt zich aan betwistbare economische overwegingen van nut en onnut. Ze grijpt recht naar de kern van de democratie: de vrijheid van de individuele burger. Enkele etymologische stapjes zetten meteen de toon. ‘subsidiair’ is: “wat in de plaats komt van iets anders”. Dit is ook de betekenis die aansluit bij de Latijnse basisvorm: “subsidium” – wat zoiets betekent als “reserve”.[i]

“Subsidiariteit” in politieke zin betekent dat een politieke structuur zichzelf in reserve houdt. Zelf blijft hij op de achtergrond – totdat zijn optreden noodzakelijk wordt. Dat betekent dat er een eerste lijn is, die ook geacht wordt het eerst op te treden. Welnu: ook Vandamme haalt Plato aan, voor wie de ideale staat niet zo groot mag zijn, dat burgers elkaar niet langer persoonlijk kunnen kennen. Ik laat Plato’s opvatting voor wat ze is, want ze is sowieso gedateerd. Maar de grondgedachte is, dunkt me, wél actueel: niemand kan de burger het principiële recht op zelfbeschikking ontzeggen. Over dit grondprincipe gaat een groot deel van de discussies in de hedendaagse politieke filosofie. Misschien is ze zelfs hét hoofdthema van onze hedendaagse staat, waarin te allen kante wordt gemanipuleerd. Ze vormt de hoofdbekommernis van lieden die, zoals ondergetekende, bezorgd zijn over de toekomst van onze democratie.

Als de burger het onvervreemdbare recht bezit te beslissen over zijn eigen lot, dan volgt daaruit dat die beslissingsniveaus, die het dichtst bij de burger aansluiten het hoogst in rang zijn en bovengeschikt aan alle andere. Het komt er dan niet op aan te bepalen – als dat zou lukken – welk niveau ‘het meest geschikt’ is om bevoegdheden uit te oefenen. De bevoegdheden moeten altijd zo dicht mogelijk uitgeoefend worden bij de burger.

Ongewild en wellicht ook ongeweten speelt de Belgische staatsstructuur ons dit criterium zelf in handen. Hij maakt immers zelf een essentieel onderscheid door het beginsel van de persoonsgebonden materies in te voeren.

Deze laatste sluiten vanzelfsprekend aan bij de zelfbeschikkende burger, want ze gaan hem per definitie het meeste aan. Aangezien de afstand tussen het multinationale België en de individuele burger groter is dan die tussen Vlaanderen en diezelfde burger, komt Vlaanderen vanuit een democratisch standpunt vòòr België. En de andere materies, de “niet-persoonsgebonden” kwesties? Die blijken inderdààd het voorwerp van schaalvoordelen te zijn.

Eidoch: ook mijn partij is in dat opzicht niet altijd even consequent. Het lijdt geen twijfel dat Europa schaalvoordelen biedt die België niet bezit. Doch de grote problemen van onze dagen vragen inderdaad steeds meer om een mundiale aanpak. Een simpele verwijzing naar de conferentie van Kopenhagen, eerder deze maand, volstaat. Dat betekent dat zolang Europa niet kan bewijzen dat het een eigen, kwalitatief onderscheiden positie inneemt, er geen criterium bestaat om de Europese bevoegdheden niet meteen mundiaal uit te oefenen. Het komt me dus voor dat de efficiëntie-overwegingen die onder meer door Vandamme worden aangevoerd, vooral van toepassing zijn om te bepalen of beslissingen Europees dan wel mundiaal moeten worden genomen. Europa is dan niet meer dan een wachtkamer voor een effectieve VN.
“Kwalitatief” zou in dit verband verwijzen naar de identiteit van de burgers in Europa, en op die grond geassocieerd kunnen worden met hun democratische zelfbeschikkingsrecht, dit is: als Europese burger, die zich intrinsiek van de burgers van andere politieke structuren onderscheidt. Daardoor zou Europa, voor een aantal materies, nààst Vlaanderen staan.
Echter: ik ben bang dat de elites van Europa door de integratie van de Islam dit kwalitatieve criterium hebben verspeeld.

[i] Van Dale, Etymologisch woordenboek.

Jaak Peeters

donderdag 24 december 2009

Er zijn nog argumenten…

Op zijn webstek ‘Vlaamse conservatieven’ bestrijdt Matthias Storme de door belgicisten verkondigde stelling dat de diversiteit binnen België, die voor Vlaamse nationalisten het argument is voor het oprichten van een Vlaamse Staat, ook zou gelden binnen Vlaanderen. Limburgers verschillen toch ook van Antwerpenaren of van Gentenaars? Onderverstaan: laat België maar bestaan, want het maakt toch niets uit.

Storme verdedigt het recht van Vlaanderen om zijn eigen weg te gaan met een beroep op het subsidiariteitsbeginsel. De toepassing hiervan haalt namelijk de angel een flink stuk uit de discussies, omdat er voldoende uitwijkmogelijkheden beschikbaar zijn. Wie zich door het Vlaamse cryptofascisme bedreigd voelt, kan gelijk naar Wallonië uitwijken. Niemand die hem tegenhoudt. Bovendien stelt Storme terecht dat het onderdrukken van diversiteit noodzakelijk tot centralisme en centralistisch geweld leidt. Quid Europa?

Stormes argumentatie is correct, maar er bestaan wel meer methoden om de belgicistische stelling onderuit te halen.

Ten eerste: het maakt wel degelijk wat uit! Om het droog en nogal kort door de bocht te zeggen: als Vlaanderen met 60 % van de bevolking 70% van de Belgische welvaart genereert, wordt er in Wallonië welvaart vernietigd. Zelfs wie kosmopolitisch is ingesteld moet bij deze constatering steigeren. Vernietigde welvaart kan niet meer gebruikt worden om aan ontwikkelingshulp te doen.

Ten tweede: de punten of onderwerpen die de verschillen tussen Vlamingen en Franstaligen definiëren zijn er àndere dan die de Vlamingen onderling doen verschillen. Franstaligen zijn onderling verdeeld over de kwestie van de kruisbeelden en Vlamingen zijn dat ook. Maar dat is geen reden om de twee in één pot de werpen, de mixer erin te houden en vervolgens triomfantelijk de verklaren dat het allemaal om het even is. Het zou best wel eens kunnen wezen dat de Vlamingen significant minder bezwaar hebben tegen de aanwezigheid van kruisbeelden dan Franstaligen. Deze veronderstelling is zelfs heel redelijk: er vallen vanuit de geschiedenis argumenten voor aan te voeren. Vlamingen en Franstaligen verschillen dus van elkaar op tal van punten, en dit op een significante manier- en dit alles heus niet alleen omdat ze een andere taal spreken. Wat is dat voor een redeneerwijze die dit soort onderscheidingen wegmoffelt?

Ten derde: Belgicisten zijn eigenlijk racisten. Eigenlijk overtreden ze de regels van de mensenrechten. Althans naar de geest. Ze ontzeggen de Vlamingen het recht op een eigen collectieve identiteit, die afwijkend is van deze van Franstaligen. Ze voeren daar geen argumenten voor aan. Ze verklaren botweg dat dit onderscheid in identiteit niet bestaat. Dat, en niets anders, moet worden afgeleid uit de stelling dat de verschillen tussen de ‘Belgen’ niet relevanter zijn dan die tussen Vlamingen onderling.

Het is weinig zinvol om een reeks sociologische kenmerken op te sommen, om toch maar krampachtig te willen bewijzen hoezeer Vlamingen en Franstaligen verschillen. Vlamingen zijn spaarzamer en Franstaligen zijn spilzieker. Nou: als IK Franstalige zou zijn, zou ik hierop ook reageren. Sociologie biedt hier geen goede aanpak, dunkt me. Hou operationaliseer je dit soort kenmerken, bijvoorbeeld? Zulke dingen vormen niet de essentie van wat men identiteit noemt.

Identiteit heeft op de eerste plaats te maken met de manier waarop mensen in de wereld staan. Of nog: met de manier waarop ze aan de dingen rondom hen én aan zichzelf betekenis toekennen. Welnu: het simpele feit van een afwijkend geïnterpreteerde geschiedenis leidt tot een andere betekenisconstructie. Je kunt per sé willen volhouden dat eeuwen bezetting er echt niet toe doen. De kwestie is dat maar weinigen je hierbij zullen volgen en dat je daarbij, naar alle waarschijnlijkheid, het gelijk ook niet aan je kant hebt. Bezettingen doen er wél toe. Aangezien de bezettingen in Vlaanderen duidelijk anders werden ervaren dan door Franstaligen, is het ontstaan van van elkaar onderscheiden betekenisconstructies onvermijdelijk.

Daar is niets mis mee, tenzij je ze wil ontkennen. Dan zijn zogeheten extreem-rechtse reacties jouw deel. Zoals de belgicisten tot hun grote ongenoegen merken.
Jaak Peeters

zondag 13 december 2009

Oneerlijkheid

Darwins boek over het onstaan van de soorten werd voor het eerst in 1859 gepubliceerd. De laatste versie van het boek dateert van 1872 en bevat de opmerkingen en antwoorden van Darwin op ontwikkelingen en commentaren sinds het verschijnen van de eerste versie. Het is vreemd, maar telkens ik Darwins naam met de evolutietheorie hoor associëren, wringt er bij mij iets.

Er zijn twee dingen. Het eerste werd onlangs nog door Gerard Bodifée aangedragen: de evolutietheorie is slechts een theorie, geen feit. Ze is zoals elke wetenschappelijke theorie: slechts een voorlopige hypothese. Zo gaat dat in de wetenschap. Eerst was er Newton en Maxwell. Vervolgens kwam Einstein en de speciale en algemene relativiteitstheorie, weldra, in de jaren dertig van vorige eeuw, gevolgd door de quantumtheorie. Na de Tweede Wereldoorlog verscheen de snarentheorie, daarna de supersnarentheorie en inmiddels zijn we al aan de M-theorie.

Darwins boek is één lange discussie met zijn tijdgenoten—zoals zoveel boeken discussies bevatten of gewoon zijn. De wetenschappelijke wereld werd in die jaren verdeeld tussen lieden die meenden dat de biologische soorten op zich onveranderlijk zijn en daarom als zodanig geschapen en, aan de andere kant, mensen die wél overal verandering en modificatie zagen en daarom de soorten zagen evolueren.

Van de 520 tekstbladzijden (Nederlandse vertaling) handelen er 450 over Darwins grondstelling: het overleven van de best toegeruste individuen en, omgekeerd, de extinctie van de slechtst toegeruste groepen. Slechts op bladzijde 451 verschijnt voor het eerst de gedachte dat àlle soorten zouden kunnen afstammen van één enkele oervorm.

Vier keer brengt Darwin deze laatste gedachte, die hij nergens echt tot de zijne maakt, maar voorstelt als een suggestie: “als we eens… dan…”. Darwin verwerpt nergens de gedachte dat deze oervorm zijn oorsprong vindt bij een Schepper.
Wel toont hij sympathie voor de idee van de afstamming uit één oervorm: volgens hem zou dit betekenen dat de soorten in toenemende mate verfijnen en dus veredeld worden. Bovendien zou zulks het bewijs vormen dat de wereld niet onderhevig is aan periodieke catastrofen, hetgeen de hoop op een betere toekomst wettigt.
Darwin toont zich de hele tijd een voorzichtig, goedbemeten schrijver. Slechts op één plaats, helemaal op het eind van zijn werk, valt hij even uit zijn rol.
Nergens, maar dan ook nergens, stelt Darwin zijn theorie voor als een feit. Integendeel: heel consequent blijft hij spreken over “mijn theorie”, 520 bladzij lang.

Dat brengt me bij mijn tweede punt. Zowel voor- als tegenstanders van de evolutietheorie doen Darwin erg onrecht aan door hun eigen opvattingen als feiten voor te stellen. Het is zoals in de politiek: de woorden van de tegenstander verdraaien of verzwijgen. Dat is geen eerlijk spel. Ik verdenk vele discutanten er openlijk van zelf het boek van Darwin niet eens gelezen te hebben.

Tegenover de creationisten stel ik dat Darwin op verschillende plaatsen ten gronde ingaat op de kritiek die zij vandaag telkens weer formuleren. Darwin geeft heel plausibele antwoorden. Zo legt hij bijvoorbeeld heel goed uit dat het idee dat er gescheiden, aparte diersoorten bestaan, voornamelijk aan menselijk gezichtsbedrog te wijten is. Want in werkelijkheid zijn àlle soorten overgangsvormen: er zijn er geen andere! Nochtans is dat nu net één van de grote bezwaren van de voorstanders van het creationisme. Waarom dan telkens weer opnieuw vragen naar wat al zo vaak werd uitgelegd?

Tegenover de evolutiefundamentalisten stel ik dat Darwin nooit een boek over “De Evolutietheorie” heeft geschreven, maar die algemene evolutie slechts als suggestie opvoert. Bovendien staat Darwins tekst op geen enkele manier de interpretatie toe, als zou Darwin gepretendeerd hebben de ultieme waarheid te willen verkondigen. Wat meer is: voor- noch tegenstanders van een vorm van Intelligent Design kunnen bij Darwin argumenten vinden. Die gedachte zit gewoon niet in het boek.

In de beide gevallen is de verdraaiing van de feiten zo manifest, dat het moeilijk wordt om het woord onoprechtheid niet in de mond te nemen.
Jaak Peeters

vrijdag 11 december 2009

Schuldig verzuim

Volkvertegenwoordiger Sarah Smeyers (N-VA) bond de kat de bel aan: van de "dakloze" nieuwe asielzoekers moeten er niet minder dan 88% in Vlaanderen worden geplaatst. In het arrondissement Turnhout (420.000 inwoners) zouden er zodoende 684 moeten worden geplaatst. In Waals-Brabant, de rijkste provincie van dit land, welgeteld 161. De exacte cijfers doen er niet toe. Het gaat erom de schrijnende onrechtvaardigheid van de immigratiepolitiek die in dit land gevoerd wordt, aan te klagen.

De regeringen van de staat België zijn schuldig. Schuldig zonder enige aanwezigheid van verzachtende omstandigheden. Zo schuldig als een regering maar zijn kan. Zij, en niemand anders, zijn ervoor verantwoordelijk dat dit nu al overbevolkte, cultureel en politiek labiele land in de halve wereld als een gemakkelijk immigratieland wordt beschouwd, waar je je slechts als sukkelaar hoeft voor te doen om meteen van een leven te kunnen genieten waar een bewoner van een gemiddeld ontwikkelingsland alleen maar van kan dromen.

Wat erger is: de Belgische immigratiewetten zijn zo bespottelijk laks, dat elke inspanning om immigranten ertoe te brengen enige inspanning te leveren om zich in de nieuwe gemeenschap te integreren op voorhand geen enkele kans maakt.

Het kan helemaal anders. Ik herinner me een koppel Antwerpenaars, man en vrouw—dat moet je er tegenwoordig aan toevoegen—, die besloten te emigreren naar Zweden. Ze hadden in dat enorme land een landhuisje gekocht, in de heuvels op zo’n 60 kilometer van de hoofdstad Stockholm. Twintig huizen telde het dorpje waar ze gingen wonen. Er was maar één straat en de huizen droegen geen nummer, want elke postbode wist precies welke familie in welk huis woonde. Ik herinner me eveneens nog heel levendig dat beide Antwerpenaren, man én vrouw, Zweeds spraken vooraleer ze uit Antwerpen vertrokken. Oh ja: niet echt vloeiend, maar ook mevrouw sprak voldoende Zweeds om met de buurvrouw in haar nieuwe vaderland een praatje te slaan. Ik heb het koppel nadien nog enkele keren terug gezien, als ze naar Antwerpen kwamen afgezakt om hun kinderen te bezoeken. Ze bleken al helemaal geïntegreerd in hun nieuwe omgeving: bij zowat alle buren waren ze al op de koffie geweest en het omgekeerde procédé waren ze volop aan het afwerken.

Niemand heeft die mensen ooit geholpen om te integreren, geen enkele ambtenaar of particulier. De officiële plichtplegingen in Zweden werden op een drafje afgehandeld. In het Zweeds, waarna de ambtenaar van de burgerlijke stand nieuwsgierig begon te vragen naar de culinaire geneugten van Antwerpen.
Het verschil met de toestanden in dat land dat zich nog recentelijk een gidsland wilde noemen, is immens. Je kunt hier zelfs niet door de straten van een kleine provinciestad lopen, zonder her en der Arabisch te horen. Of Turks, of Armeens, of, tegenwoordig: Swahili of Lingala. Ik heb het onlangs zelf beleefd: een jong, Noord-Afrikaans uitziend koppeltje, westers gekleed, gemanierd en fatsoenlijk en wel. Onder elkaar: Arabisch.

Wat een verschil met het Antwerpse koppel! Integratie moet je willen. En je wil integreren , omdat je respect hebt voor de gemeenschap waar je terecht komt. Omdat je het eerlijk meent met je nieuwe gemeenschap. En omdat je best weet, dat in de wereld de liefde niet van één kant kan blijven komen. Als de overheid een handje helpt om het integreren te vergemakkelijken, is dat mooi meegenomen. Natuurlijk is dat zo. Doch het voorbeeld van het Antwerpse koppel illustreert dat geen enkele overheidsmaatregel ooit bij machte kan zijn om de integratiewil van de betrokkenen zelf over te nemen.

Men vraagt zich af welke kleuterachtige intelligentie ooit bedacht heeft dat een betuttelende overheid deze menselijke plicht kan uitvoeren in de plaats van de betrokkenen zelf. Maar voor wie wat scherper toekijkt, wordt de zaak nog pijnlijker. De extreem-soepele immigratiewetgeving is er gekomen onder druk van de Franstalige minderheid in dit land. Dezelfde minderheid die het vertikt de Franstalige immigranten in Vlaanderen aan te sporen de taalwetten na te leven en zich in de gemeenschap van de Vlamingen te integreren. Integendeel: die Franstalige regeringspartijen verlenen steun aan diegenen die niet willen integreren, want ze eisen zelfs Vlaamse territoriale amputaties.

Uiteraard zal iemand die zo tewerk gaat er zeker niet toe komen aan kandidaat-immigranten op te leggen dat ze de taal moeten kennen vooraleer ze naar Vlaanderen resp. Wallonië komen. Daarmee zouden ze zichzelf immers hopeloos vastrijden in een onoplosbare tegenspraak.

Maar dan rijst vanzelfsprekend torenhoog de vraag naar de verantwoordelijkheid van de Vlaamse regeringspartijen. Zij zwegen, hoewel de simpele waarheden die hiervoor werden beschreven ook hen bekend waren. Hoe noemt men zoiets? Ha ja: schuldig verzuim.

Jaak Peeters

zaterdag 28 november 2009

Het land van de waanzin

Burgemeester Somers heeft bekend gemaakt dat zijn stad, Mechelen, een centrum wil oprichten waar vrouwen hun kind kunnen laten aborteren. Is het nu al de taak van een stedelijke of gemeentelijke overheid om vrouwen bij te staan bij het “wegwerken” van hun ongeboren kind?

Men kan begrijpen dat een stedelijke overheid haar burgers bijspringt wanneer die in nood komen. Bijvoorbeeld bij ziekte of ongeval. Hoewel: voor die gevallen bestaan er al langer georganiseerde hulpsystemen. Maar goed, in elk net zijn er te grote mazen. Men is dan ook geneigd om een gemeentebestuur alvast de opdracht toe te schrijven om haar hulpbehoevende gemeentenaren uit de penarie te helpen. Het OCMW werd niets voor niets uitgevonden. Per slot van rekening is een gemeentebestuur die overheid, die het dichtst bij de bevolking is geplaatst. Als er dus één overheid is, die in de mogelijkheid is om de onvermijdelijke mazen van het net nauwer te sluiten, dan is het de gemeentelijke. Dat is ipso facto het geval wanneer het om problemen gaat, die de sfeer van de intimiteit beter niet te ver te buiten gaan. Een gemeentelijke overheid kent de situatie of is in ieder geval in staat om die ter plekke te pakken te krijgen.

Dit soort optreden, dunkt me, is evenwel altijd positief bedoeld. De doelstelling is altijd om het leven beter mogelijk te maken en in sommige gevallen gewoon zelfs gewoon maar mogelijk te maken.

Maar nu zien we een stadsoverheid optreden om het leven ONmogelijk te maken. Volstrekt luguber is zulks, en men vraagt zich af of stadsbestuurders nog wel goed bij hun hoofd zijn om zoiets akeligs te kunnen bedenken.

Oh ja: men staat jonge vrouwen bij. Want de meeste abortussen -- de krant schreef het deze week nog -– worden gepleegd door jonge vrouwen tussen de 17 en de 24. Vele abortussen gebeuren in erbarmelijke medische omstandigheden, omdat de plegers zich niet te schande willen zetten. Dus valt er op het eerste gezicht wel iets te zeggen voor het initiatief van een stadsbestuur dat in het nauw zittende vrouwen in de mogelijkheid wil stellen om hun daad tenminste in medisch verantwoorde omstandigheid te verrichten.

Maar dat alles is wel een omgekeerde wereld. Want een stadsbestuur zou ook ten strijde kunnen trekken tegen die taboes, die de schande oproepen. Dat zou pas vrij-denken wezen. Het is een wereld bovendien, waarin stadsbestuurders kennelijk geen last hebben van enige behoefte tot kritisch nadenken, al pakken ze zelf te pas en te onpas met die kwaliteit uit. Want àls het juist is dat een stedelijke of gemeentelijke overheid bij machte is om zo dicht bij de bevolking te staan, dat ze ook een redelijk idee heeft van de intieme noden van die bevolking, waarom speelt ze dan daar niet op een positieve manier op in? De stad zou jonge vrouwen op het einde van hun zwangerschap kunnen opvangen, ze vrijwaren voor de schande en vervolgens de kindjes aan adoptieouders kunnen helpen. Nu moeten adoptieouders vaak een jaar of langer wachten vooraleer ze een kind kunnen adopteren. Vaak lukt het gewoon nooit en gaan ze in China of Ghana op zoek naar een wildvreemd kind.

Somers en zijn geestesgenoten moeten toch zelf ook weten dat het adopteren van een kind heus geen zaak is van ‘één en één is twee’? Wie een kind adopteert, adopteert meteen ook een stuk van de levensgeschiedenis van zijn ouders. Een geadopteerd kind is geen onbeschreven blad. Ouders die volwassen geadopteerde kinderen hebben weten daar best over mee te praten. Derhalve is het van groot belang de levenssituatie van de moeder in het hele adoptieonderzoek mee te nemen. En laat nu net die gemeentelijke overheid het best geplaatst zijn om die levenssituatie te beoordelen.

Overigens vraagt men zich af waar het met dit land naartoe moet. Mechelen heeft zowat 80.000 inwoners. Dat is één tachtigste van het totale Vlaamse bevolkingstal. Als de stadsbestuurders van Mechelen gelijk hebben, dan zouden er in Vlaanderen zowat 80 abortuscentra moeten komen. Tachtig centra waar op een medisch verantwoorde manier kinderen van eigen volk omgebracht worden. In welke macabere wereld komen we terecht? Laten we het Vlaamse leeuwensymbool maar meteen door een doodshoofd vervangen. Vlamingen: de grootste griezels van de wereld?

Dit lijkt steeds meer op een ijzingwekkende heruitgave van de vernietigingskampen van het Naziregime. Alleen: Hitler heeft er nooit zovéél gehad. Maar in Vlaanderen: daar liggen de vernietigingscentra overal verspreid. Open en bloot, zij het zonder rokende schouwen. Ja, toch?

Intussen worden honderdduizenden illegalen geregulariseerd. Die hebben nota bene de wet overtreden. Ook in dit opzicht dringt zich de gedachte op aan een wansmakelijke overeenkomst met de gezellen van Hitler. Het lijkt allemaal beangstigend veel op een bewuste actie om een etnische wisseling tot stand te brengen. Als vorm van racisme kan dat tellen.

En als het dat niet is, als de partijgangers van deze wereld toch niet zo grondig nadenken als ze soms voorwenden, dan betreft het hier in ieder geval een geval van acute waanzin.

Jaak Peeters

vrijdag 20 november 2009

De natiestaat genaamd EU

De aanstelling van de Belgische premier Van Rompuy tot permanent voorzitter van de Europese raad is een nieuwe stap op de weg naar de vorming van een Europese superstaat. De stappen die nu nog moeten volgen vallen perfect te voorspellen: de Europese commissie wordt omgevormd tot een regering, waarbij de verhouding met het Europees parlement wordt herschikt. De huidige commissievoorzitter wordt premier. Een minister van “buitenlandse zaken” is er inmiddels overigens ook al. De Europese raad zelf wordt omgevormd tot een adviesraad voor de straks verkozen Europese president. Nadien alle legers nog onder één commando brengen, en klaar is kees.
Wat daarna gaat komen -– voor zover het niet al bezig is -– is veel minder zichtbaar, doch veel belangrijker.

Het gaat erom dat nu ook alles in het werk zal worden gesteld om een Europese natie op te wekken. Opwekken, want ze bestaat niet. Die natie zal de oude naties in Europa vervangen of tenminste insluiten en overschrijden. Want zonder een natie is een staat geen lang leven beschoren, afhankelijk als hij is van de existentie van de elites die hem in het leven hebben geroepen.

Zo’n Europees nationaal gevoel berust op sterke gronden. Een Europese natie wekt door haar omvang bij velen een veiligheidsgevoel op. Wat groot is, wekt de indruk veiligheid te verschaffen. Dat is illusoir natuurlijk, maar het werkt wel. Ten tweede geeft Europa de indruk een geografische eenheid te vormen, die als een apart geheel van andere eenheden is afgescheiden. In werkelijkheid is Europa slechts een schiereiland van het Euraziatische continent, van Afrika door slechts twee smalle zeestraten gescheiden. Dieper ligt de idee van een geestelijke Europese eenheid. Die berust op de perceptie van een gedeelde christelijke erfenis. Want ondanks alle godsdienstoorlogen zit toch hetzelfde geloof in dezelfde God in de Europese genen. De EU van onze dagen lijkt dan nog het meest op een Karolingisch rijk, dat het aardse verlengstuk van de door de Paus geleide geestelijke orde wilde zijn. Deze idee wordt sterk gecontesteerd door de aanwezigheid van miljoenen Islamieten op Europese bodem.

Een sterk gegeven is ook dat de Europese Unie er naar buitenuit kan op bogen in vrede te zijn ontstaan, in tegenstelling tot al haar voorgangers, die slechts het product van militair geweld waren. Daarom kan dit Europa de illusie opwekken dat het een project van een totaal andere orde is en de hoop doen gloren dat de Europese mens de periode van de oorlogen voorgoed achter zich heeft gelaten. Waarbij voor het gemak vergeten wordt dat precies de Tweede Wereldoorlog het huidige Europese project heeft mogelijk gemaakt. En waarbij vooral wordt vergeten, dat de burgers nooit de kans hebben gekregen om over het principe van een Europese staat uitdrukkelijk te stemmen. Meer zelfs: de Europese protagonisten hebben nooit open kaart gespeeld en openlijk gezegd dat het hun bedoeling was de oude staten door een Europese te vervangen -– op iemand als Mark Eyskens wellicht uitgezonderd. Met andere woorden: de EU is er weliswaar zonder oorlog gekomen -- als gevolg overigens van de zwakheid van de oude rivalen -- , maar niet zonder bedrog.

Doch zoals altijd schuilt er ook nu weer een adder onder het gras. Meer zelfs: alles laat vermoeden dat deze adder de omvang heeft van een flink uit de kluiten gewassen anaconda. Want een Europees nationaal gevoel, dat de onvermijdelijke keerzijde is van een Europese natie, komt zonder enige twijfel in directe concurrentie met de bestaande naties. Nationaal gevoel bestààt er in Europa namelijk al en het is zelfs wijdverbreid. Op het bord liggen dus twee clusters van nationaal gevoel. Het Belgische voorbeeld leert wat er te gebeuren staat: beide clusters zullen met elkaar de strijd aanbinden om de dominantie. Daarbij zullen alle wapens uit de kast worden gehaald, van mythologie tot brutaal geldelijk belang. De Europese natie zal verkondigen dat ze algemener, inclusiever, dieper en ouder is dan klassieke nationale gevoelens en daarom de betere adelbrieven bezit, precies zoals het Belgisch nationaal gevoel dat altijd tegenover het Vlaamse nationalisme heeft gedaan.
Dat de stichting van de Europese superstaat met bijhorende Europese natie het einde inluidt van het zo vaak verfoeide nationalisme -– zoals vele eurocraten dromen -- is dus verre van zeker, want veeleer een versterking van de nationalistische spanningen valt te verwachten.

Op dezelfde manier als Vlamingen er allesbehalve gelukkig om zijn dat hun energiebeleid in Parijs wordt gevoerd, zullen de oude gemeenschappen telkens weer ressentiment ontwikkelen omdat zij het gevoel krijgen dat hun zeer ruim opgevatte belangen binnen de Europese ruimte niet in goede handen zijn en dat zij de greep op hun eigen lot verliezen. Want als het aankomt op de veiligheid van lijf en leden en het eigen bezit, grijpt een mens naar wat hem overzichtelijk lijkt en bekend voorkomt. Europa is daar veel te groot voor en veel te verscheiden om op een intieme manier tot het eigene te kunnen worden gerekend.

Jaak Peeters

zaterdag 14 november 2009

Een niet ingeloste belofte en een gevaarlijke gek

Wat doe je, als je een dergelijk boek gelezen hebt? Dan pak je een ander boek vast, dat zich – althans volgens de titel – daar volkomen tegenover plaatst. Dit is het dus:“Hoe komen we van religie af?”,van Floris van den Berg. Kent u hem niet? Geen nood: U mist er niets mee. De man stelt zich voor als een liberaal. Ik zal, naar ik hoop, snel duidelijk maken dat die man geen liberaal is, maar een gevaarlijke gek.

[lees het volledige artikel]

Jaak Peeters