vrijdag 23 oktober 2009

Het gaat om efficiëntie, dwaas!

De verschijning van Maddens’ boek, "Omfloerst separatisme", heeft nog eens de aandacht getrokken op een oud teer punt in de discussies over de staatkundige ontwikkeling van Vlaanderen. Lange tijd deden spraakmakende journalisten à la Reynebau c.s. en hun meer academische geestesgenoten namelijk nogal meewarig over het romantische gedoe van het Vlaamse nationalisme. Vendelzwaaien en zo, weet U wel? België, beste man: dat is het bewijs van het menselijk vermogen tot rationeel samenleven! Is de Belgische staat niet het bewijs bij uitstek dat moderne verlichte mensen in staat zijn de duistere tribale achterlijkheden van het nationalisme achter zich te laten? Moderne verlichte mensen sluiten zich immers aaneen op grond van hun even verlicht burgerschap. Meester Renan heeft het ons toch geleerd? Nationalisme, racisme en dit soort fraaie besognes zijn relicten uit het verleden. Men houdt er best geen rekening mee, of beter nog: men tracht ze uit te roeien. Men past de lesprogramma’s in de scholen aan en wijdt zich aan de edele taak van de volksopvoeding via de media. En men voort een Gedankenpolizei in, al blijkt het succes daarvan nogal betwistbaar.

Maddens brengt evenwel – en passant – een heel andere boodschap. Niet alleen verklaart hij dat het Belgische nationalisme veel gevaarlijker is dan het Vlaamse, waarmee hij stelt dat er dus ook een Belgische vorm van nationalisme bestaat. Daarmee rijzen er vragen aan het adres van de belgofiele disputeerders over het rationele karakter van het Belgische staatsverband. Wie daar scheel naar kijkt en er overheen wil zien, kan echter een andere uitspraak van Maddens zeker niet naast zich leggen: de Belgische overheid doet er alles aan om bij de bevolking een Belgisch gevoel aan te kweken. Een Belgisch gevoel! Tiens, het Belgisch samenleven kan dus niet zonder een dosis gevoel. Een dosis die zonodig moet verhoogd worden en dus op het moment niet hoog genoeg is. Het angstvallig volgehouden geloof in het rationele karakter van de Belgische samenleving dreigt hiermee wel helemaal onderuit te worden gehaald. Want als de Belgische overheid in een tijd van pecuniaire schaarste stapels kostbaar geld besteedt om de bevolking ‘nationale sentimenten’ aan te praten, dan wordt daarmee aangetoond dat België zonder die opgeklopte emoties niet kan blijven voortbestaan. Goed om weten!

Meteen kijkt men dan naar de leidende Vlaamsnationale club van het ogenblik, aangevoerd door De Wever en Co. Opvallend is dat De Wever en zijn vrienden het helemaal niet hebben over Vlaamse al dan niet romantische sentimenten. Hun discours is doorspekt met en gebouwd op een heel ander kernwoord: de efficiëntie. De hedendaagse Vlaamse nationalist ijvert niet voor een onafhankelijk Vlaanderen uit romantische sentimentaliteit, maar vanuit efficiëntieoverwegingen. Zelfs Dave Sinardet heeft het opgemerkt, en die man kan men bezwaarlijk van overdreven vlaamsgezindheid verdenken.

Daarmee zijn sentimentaliteit en verlicht rationalisme ongemerkt van kamp veranderd. Waar voorheen de belgicisten aanspraak maakten op een rationele benadering van de staatkunde, blijken het nu de Vlaamse nationalisten te zijn die zich op rationele overwegingen beroepen om hun staatkundige doelstellingen te grondvesten. Tegelijk voelen de belgicisten zich kennelijk verplicht een beroep te doen op hetzelfde soort sentimentaliteit, die zij voorheen in het Vlaamse nationalisme tot voorwerp van hun spot meenden te moeten nemen.

Bovendien staat het discours van De Wever en zijn vrienden behoorlijk stevig op poten. Men predikt de staatshervorming – die met België op de achtergrond weinig anders kan zijn dan Vlaamse staatsvorming – om in de gelegenheid te zijn efficiënt te besturen. Want met België lukt dat niet meer, als het ooit al gelukt is. Maar omgekeerd klopt het Weveriaanse verhaal ook. Wie efficiënt bestuurt, verwijdert zich van België en komt uit bij een Vlaamse staatstructuur.

Waar De Wever zijn mosterd heeft gehaald, is niet meteen geweten, maar het zou best wel eens Vaclav Havel kunnen wezen. Die heeft, vele jaren geleden al, toch verklaard dat de staat de weerspiegeling van de ziel van het volk moet zijn? Omgekeerd wil dat zeggen dat een staat, die niet op maat van zijn bevolking is gemaakt, onmogelijk goed kan functioneren. Lees: onefficiënt is.

Het bewijs van de juistheid van de stelling dat meer Vlaanderen noodzakelijk is om efficiënt te kunnen besturen, springt zelfs de politiek halve blinde in de dagelijkse feiten van vandaag in het gezicht. Doch dat, omgekeerd, efficiënt besturen onvermijdelijk leidt tot verwijdering van het Belgisch staatsverband, begint zich doorheen de praktijk van het Vlaamse regeringswerk eveneens steeds meer te manifesteren. Het is heel simpel en daarom in zijn bewijskracht onweerstaanbaar: de Vlaamse regering voert de noodzakelijke besparingen door, de Belgische regering slaagt daar niet in. Zij hoopt op betere tijden, waardoor besparingen niet langer hoeven. Maar die betere tijden zullen ook voor de Vlaamse regering nieuwe opportuniteiten brengen. Daardoor blijft België op achterstand. En zo zal opnieuw het bewijs worden geleverd dat wie efficiënt bestuurt, zich best verre van België verwijderd houdt.

Het enige wat voor België overblijft is een sentimenteel vendelgezwaai, een emotioneel relict uit het verleden.

Jaak Peeters

maandag 5 oktober 2009

Verdeeldheid versus eenheid

Dave Sinardet, een ‘politoloog’ aan de Unief van Antwerpen, had het in zijn opiniestukje van 5 oktober in De Standaard over het streven van de Partie Quebeqois naar een onafhankelijke Quebecse staat. Met een de roskammerigheid, eigen aan elke schoolmeester, wijst zijne Geleerdheid de Quebeqois terecht en houdt hij hen het voorbeeld van de Vlamingen – horresco referens ! – voor. Die baseren hun nationaal discours toch niet ook op het natiebeginsel, maar op principes zoals goed bestuur en efficiëntie, weet Sinardet.

Over Dave Sinardet is bekend dat hij allergisch is voor alles wat naar nationalisme riekt. En als ervaren psycholoog weet ik dat wie van een bepaald leerstelsel niet moet weten, daar doorgaans ook niet veel van snapt. Zulk inzicht zou tot elementaire bescheidenheid moeten aanzetten, maar die is er veelal niet bij. Zo zou Sinardet, bescheiden en open als hij is, zijn oor te luisteren kunnen leggen bij wat nationalisten daar zélf over vertellen. Doch dàt blijkt voor Sinardet en de meerderheid van de meute ‘politologen’ en commentaarschrijvers (m/v) die Vlaanderen rijk is, een brug te ver. Sinardet zou dan namelijk ontdekt hebben dat ‘de natie’ wel eens iets heel anders zou kunnen zijn, dan zijn vooringenomen voorstellingsvermogen daarover toestaat tot verschijning te komen... Het zij zo.

Laten we dan toch hopen dat de dames en heren politologen tenminste logisch redeneren. Weerom moet ik vervelend doen, want alvast Dave Sinardet redeneert NIET logisch. Met een verwijzing naar hét referentiepunt van het moment, de voor vrouwelijke bevalligheid niet ongevoelige Nicolas Sarkozy, beleert hij de Quebeqois, dat ‘de wereld meer eenheid en minder verdeeldheid nodig heeft.’ Je ziet hem daar zo staan, schoolmeester Dave, met het vingertje opgeheven en met milde gestrengheid zijn pupillen aankijkend. En dus moeten de Quebequois – en bij uitbreiding de Vlamingen – hun onafhankelijkheidsdromen maar opbergen.

Nu heb ik altijd geleerd dat een woord altijd het centrum is van een cluster van betekenissen. Het komt zelden voor dat twee dergelijke clusters elkaars perfecte tegengestelde zijn. Maar het komt wel vaak voor dat ze tenminste tegenover kunnen worden geplaatst. Weliswaar heffen ze elkaar niet op zoals de wiskundige min de plus opheft, maar ze liggen elk toch grotendeels langs de andere kant van de barrière.

Welnu: Sinardet denkt dat dit laatste het geval is met de termen die hij in zijn opiniestuk hanteert: eenheid versus verdeeldheid. Volgens hem komt het opgeven van het Quebeqoise separatisme overeen met het streven naar ‘eenheid’ en het vasthouden daaraan met ‘verdeeldheid’. Sinardets leraar logica moet nu zoals Cicero uitroepen: Oleum et operam perdidi! Het was alles voor niets! Mijn inspanningen leverden geen resultaat op! Want eenheid staat natuurlijk NIET tegenover verdeeldheid. Verdeeldheid staat tegenover eensgezindheid en een onafhankelijk Quebec kan in perfecte eensgezindheid samenwerken met een Engelstalig Canada. Eenheid, op zijn beurt, staat tegenover verscheidenheid. Met verscheidenheid is niets mis. Integendeel: zonder verscheidenheid is zoiets als democratie niet eens denkbaar.

Sinardet – ik voer hem hier op als het prototype van de Nieuwe Belgen – begrijpt niets van het grondstreven van het Vlaamse nationalisme en van het volksnationalisme in het algemeen. Nationalisten zoeken geen verdeeldheid, maar juist meer eensgezindheid. Die hopen ze te bereiken door de structurele wrijvingen onder volksgroepen weg te halen, door elke volksgroep verantwoordelijk te stellen voor haar eigen zaken. Ieder maakt zijn eigen rekening. Op die manier wordt de kans dat etnische spanningen de internationale samenwerking vergiftigen, aanzienlijk verkleind. Op het einde van de rit is er niet meer eenheid, maar wel meer eensgezindheid. En die werd bereikt door het erkennen en organiseren van verscheidenheid.

Moeilijk, niet?

Jaak Peeters

zondag 4 oktober 2009

Eenzaam

Half vier ‘s middags. Aan de ijzeren poort van de kleuterschool staat een meute moeders van kleuters, grootvaders en dito moeders hun kleine dreumesen op te wachten. Jonge en minder jonge vrouwen, die onder elkaar kakelen over het groeiritme van hun jongste, die alweer uit zijn of haar kleertjes is gegroeid. Grootouders die met nauwelijks verholen trots ronduit vertellen over wat hun kleinzoontje allemaal al kan en hoe vindingrijk het ventje al wel is. Och: het zijn de eeuwige verhalen. Ze komen altijd weer terug. Opvoeding loopt altijd hetzelfde.

Als de bel rinkelt haasten ze zich allemaal naar de klaslokalen, waar ze vervolgens elkaar aan de deur staan te verdringen om toch maar bij de eersten te zijn om hun kleuter op te vangen.
Gelijk veranderen de onderwerpen van de gesprekken als bij toverslag. Overal hoor je vragen hoe de klasdag is gelopen en wat ze vandaag op school geleerd hebben. De vertedering voor de kleine hummeltjes klinkt zò overal doorheen. Het kleine grut vertelt honderduit over de politieman die in de klas is komen vertellen dat je op straat altijd goed moet opletten en over de verkeerstekens die de juf vandaag in de klas heeft getoond. Ze leren snel, die kleine schepseltjes. Ze weten je perfect te vertellen dat je bij het rode licht moet stoppen en bij welk verkeersteken je met je auto moet doorrijden. Kinderen draaien niet rond de pot. Ze zeggen wat ze denken. En vaak is dat raak. Zo raak soms, dat je als volwassene moet slikken, want inconsequentie: dat kennen ze nog niet.

Vandaag hebben ze een boodschap meegekregen van de juf. Voor mama en papa. Niet voor opa of oma, dus krijgen die de boodschap niet te lezen. Juist is juist. Het is een briefje, deskundig getypt, een briefje dat ze zelf nog niet lezen kunnen en waar ze met grote zorg mee omgaan, als ware het een kostbaar relikwie. Het werd zorgvuldig opgeborgen in een tasje, dat de juf tijdens haar vrije dagen voor haar jonge leerlingen heeft gemaakt. Juffen hebben ervaring met peuters. Ze hebben mettertijd geleerd hoe je best te werk gaat, als je met succes een boodschap aan de ouders wil brengen.

Het is een gesnater van jonge mama’s die hun uiterste best doen om zich voorbeeldig van hun nieuwe taak als ouder te kwijten. En overal klinkt het gekwetter van het jonge volkje dat van geen zwijgen wil weten en hoor je de vertederde vragen van de trotse grootouders.
Op straat is er geen doorkomen aan. Met de auto is het telkens weer een avontuur – als je de kans krijgt om te vertrekken, want net als je de rijbaan op wil rijden, komt daar een mama aanrijden, met naast zich een klein kinderfietsje, waarop een peuter moedig probeert zijn eerste meters recht te blijven. Hier en daar weent een kleuter, nadat hij net van zijn fietsje is gevallen. Of er krijgt er eentje een reprimande, omdat hij of zij niet meteen doet wat de haastige mama of papa wenst. Vervolgens volgt een huilconcert. Weinig succesrijk protest tegen deze jachtige maatschappij.

Het is elke dag weer opnieuw hetzelfde ritueel, hetzelfde gewoel, hetzelfde gekwetter, dezelfde ouders, grootvaders en dito moeders. Elke dag dezelfde jonge mensen, dezelfde mensen uit hetzelfde dorp, aan dezelfde schoolpoort. Elke dag weer dezelfde gesprekken, altijd weer over dezelfde onderwerpen.

En elke dag is er ook weer dat ene enkele dametje dat daar eenzaam staat rond te drentelen. Ze blijft op een eerbiedige afstand van al de anderen. Het lijkt wel dat ze door iedereen wordt gemeden. Niemand spreekt haar aan. Ze neemt geen deel aan het gesprek. Ze staat daar, helemaal op haar eentje, ze lijkt wel te bedeesd, alsof ze zich niet onder de anderen durft te mengen. Vermoedelijk is ze een vriendelijk vrouwtje, maar weet ze met haar verlegen natuur geen blijf.

Maar dan blijkt dat ze een hoofddoek draagt. Jawel: het is een moslima. De enige daar aan de schoolpoort. De enige in het dorp? Ook haar kinderen zitten in de kleuterschool. Ze leren over de politieman en over de planeten en over alle andere dingen waarover ook al die andere kinderen leren. Ze joelen net als alle kinderen op de speelplaats en ze doen dat samen met al de andere kinderen. Ze vallen evengoed op de harde grond van de speelplaats, bezeren zich, wenen en worden door de juf liefderijk opgetild en getroost.

Hun mama echter: die is anders. Die mengt zich niet onder de andere mama’s en papa’s. Ze blijft afzijdig. Ze laat haar anderszijn ook duidelijk blijken. Zo duidelijk dat iedereen de boodschap begrepen heeft en niemand met haar contact zoekt. De afstandelijkheid is wederzijds.
Als de schoolbelt rinkelt, staat alleen zij niet aan de deur van het klasje te drummen. Ze staat lijdzaam te wachten, eenzaam, op haar eentje, wat verderop aan de schoolpoort, wachtend tot haar eigen dreumesen joelend naar haar toe komen gelopen. Meteen hoor je diezelfde dreumessen overschakelen: plots verloopt de conversatie in het Arabisch. Kinderen die een paar minuten geleden nog perfecte autochtone bengeltjes leken, zijn plots onherkenbaar veranderd in kleine Moslims.

Ook dit ritueel herhaalt zich elke dag.
Elke dag.
Steeds weer.
Neen: het luikt niet me die Moslims.
Jaak Peeters

woensdag 23 september 2009

Brussel loslaten?

De oproep van Frans Crols om Vlaanderens onafhankelijkheid uit te roepen met achterlating van Brussel, veroorzaakte een kortstondige wind in de media. Die is inmiddels alweer gaan liggen. Het feit heeft voor de hypocriete Vlaamse media zijn nieuwswaarde verloren. Toch blijft het niettemin levensgroot schijnen over de strategische kamers in Vlaanderen.

De opvatting van Crols berust op een beoordelingsfout – gesteld natuurlijk dat hij zijn uitspraken niet heeft bedoeld om het afwezige debat weer op te rakelen. De gedachte is namelijk dat Brussel überhaupt kàn worden achtergelaten. Quod non!
Dat wordt duidelijk bij een vergelijking van Brussel met New York. Behalve de enorme verschillen tussen beide steden – Brussel is een dorp, vergeleken bij New York – is er ook één uiterst belangrijk punt van overeenkomst. Beide steden functioneren als etnische en taalkundige smeltovens. Wie in New York terecht komt, spreekt in de kortste keren Engels. Engels is de lingua franca van de sociologische entiteit die New York heet. Meteen wordt New York soms de grootste Engelstalige stad genoemd. Die kwalificatie is betwistbaar, want er leven zowat tweehonderd verschillende nationaliteiten in New York. Spreken die ook thuis allemaal Engels? Natuurlijk niet. Engels is slechts de voertaal in het openbare leven. Thuis klinkt een babelse verscheidenheid van talen op, afkomstig uit alle windstreken. Bij het bezoek van Willem Alexander en Maxima aan New York, onlangs, bleek die stad een grote kolonie Nederlanders te herbergen. Die had kennelijk haar eigen taal helemaal niet verleerd.

Hier verschijnt wat de moderne grote stad op vele plaatsen in de wereld is geworden: een amalgaam, waarin mensen van allerlei origine met elkaar leven en daartoe het gebruik van één bepaalde taal als modus operandi hebben aangenomen. Dit is het multiculturalisme van vandaag. Vele Vlamingen deinzen voor deze werkelijkheid terug. De waarheid is, dat grote steden tegenwoordig vrijwel allemaal multicultureel zijn geworden – de Japanse en Chinese misschien uitgezonderd. Hoewel ook daar de moderne tijd toeslaat.

In New York is het Engels de lingua franca. In Brussel vervult het Frans die functie. Maar voorts is ook Brussel zo’n typisch amalgaam, een zogeheten multiculturele stad, waarvan sommigen aan de linkerzijde lyrisch worden, al is het niet erg duidelijk of ook zij zelf wel goed in de gaten hebben waarover ze eigenlijk de lofzang zingen.

Op die manier blijkt de problematiek van de multiculturele maatschappij en de staatkundige toekomst van Brussel met elkaar verbonden. Wellicht is dàt de werkelijke verdienste van de tussenkomst van Crols. Want Vlamingen verdringen al te veel de multiculturele werkelijkheid van vandaag, in plaats van zich af te vragen hoe ze die zouden kunnen beheersen. Het is erg twijfelachtig dat een verstandig man als Crols zélf gelooft dat Brussel zomaar uit Vlaanderen kan worden losgesneden en dat de Vlamingen dan voortaan gerust en ongestoord onder elkaar kunnen voortleven. Zelfs met een muur errond, ligt Brussel daar te liggen en strekt zijn sociologische invloed ver uit over het omliggende platteland, dat we allemaal knus en gezellig Vlaams willen houden. Brussel is namelijk een levende entiteit. Ze verandert bij voortduring. Wetten lopen per definitie altijd de feiten achterna.

Alleen sociologische feiten kunnen de toekomst van Brussel beïnvloeden. Maar de wil om op een actieve wijze met het multiculturele Brussel aan de slag te gaan en er een toekomst voor uit te stippelen die Brussel binnen Vlaanderen brengt, ontbreekt te enenmale. Integendeel: de voorzitster van de grootste zich Vlaams noemende partij blijkt te lijden aan het struisvogelsyndroom. Want hoe kan er sprake zijn van een overtuigende Vlaamse politiek die de sociologische omstandigheden in Brussel ten gunste keert, als je zelfs niet eens bereid bent om een relatief eenvoudig probleem als de splitsing van het kies- en rechterlijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde democratisch – in het Parlement dus – op te lossen?

Nochtans is het niet moeilijk om gelijk enkele krijtlijnen voor zo’n politiek te trekken. Wie de sociologische omstandigheden in Brussel wil veranderen ten voordele van het Nederlands, moet, om te beginnen, zorgen voor zeer prestigieuze Nederlandstalige aanwezigheid in Brussel. Secundo moet men de ogen openen voor een àndere sociologische realiteit: de aanwezigheid van de Europese Unie in Brussel bevordert het Franstalige karakter van die stad. Toch blijven ook goedmenende Vlamingen pleiten voor het opheffen van de activiteiten van het Europese parlement in Straatsburg. Men moet toch inzien dat in het voetspoor van die Europese instellingen massa’s immigranten van allerlei slag Brussel binnendrijven. En omdat Brussel op zich territoriaal nu eenmaal uiterst beperkt is, zwermen die uit over het naburige Vlaams-Brabant. En omdat de sociologie in Brussel het Frans als voertaal heeft, deint ook die Franse taal over Vlaams-Brabant uit. Heeft de ‘muur’ van Frans Crols zodoende geen enkele zin, dan rijst nog meer en torenhoog het volslagen gebrek aan staatkundig-sociologisch denken bij die politieke groepen, die zichzelf een staatsdragende functie hebben toegeschreven.

Nochtans zijn de feiten levensgroot. Zodoende blijken sommige “grote leiders” in het zelfde bedje ziek als die mensen, die de multiculturele feiten niet onder ogen willen zien. Alleen: voor figuren die zichzelf staatslui willen noemen, gelden geen verontschuldigingen. Of, wat nog erger zou zijn en tegelijk kwaadaardiger: zijn die lui helemaal niet geïnteresseerd in de toekomst van Vlaanderen of het behoud van het Nederlands? Zodat het niet verwonderlijk is dat er van ‘vijf minuten politieke moed’ geen sprake is.

Jaak Peeters

zondag 13 september 2009

Hoofddoeken ?

Het Antwerpse stormpje over de hoofddoekenkwestie is weer wat gaan liggen. Niet voor lang denkelijk, maar de luwte geeft ons de tijd even te verwijlen bij de betekenis van deze discussie.
De ‘moslima’s’ die beweren op eigen gelegenheid voor het dragen van die hoofddoek te kiezen, houden vol dat die ze die keuze in volle vrijheid maken. Er zijn maar weinig mensen die zulks geloven. Als men de kranten moet geloven – maar wie gelooft die mensen? – zou een en ander te maken hebben met druk binnen de zogeheten moslimgemeenschap. Er zou druk op de jongedames druk uitgeoefend worden en die zouden daarvoor door de knieën gaan.
Dat moge dan in sommige gevallen min of meer waar zijn: men vergeet een paar andere, essentiële waarheden.

Het lijkt namelijk moeilijk te betwisten dat deze jonge vrouwen zichzelf willen manifesteren, op dezelfde manier als jonge vrouwen dat overal en altijd willen doen. Net als jongemannen trouwens, die daarvoor weliswaar andere methoden gebruiken. De vraag die oprijst is waarom jonge moslimvrouwen in het sterk geseculariseerde West-Europa – ook op dit gebied bestaat er geen Europese Unie – zichzelf zo nodig op een andere manier willen manifesteren als hun niet-islamitische sexe- en leeftijdsgenoten. Waarom lopen jonge moslimvrouwen niet rond met spijkerbroeken die in de lenden veel te laag zijn waardoor sommigen zich moeten scheren, dunne bloesjes die hun vormen nauwelijks bedekken en een opzichtige haartooi? Als jonge mensen die op de drempel van het leven staan – zeventien, achttien jaar is toch de drempel van het leven, zou men denken – zich afzetten tegenover “de maatschappij”, dan doen ze dat op een opzichtige manier. Dat is al altijd zo geweest. Dat is onder deze jongeren niet anders. Waarom grijpen ze dan in hemelsnaam naar het hoofddoek, waarvan ze perfect weten dat precies dat hoofddoek een van de symbolen is van hun eigen achterstelling? Precies de achterstelling waartegen ze in opstand zouden moeten komen?

Naar te vrezen valt ligt de schuld van deze onbegrijpelijke keuze helemaal niet bij de druk vanuit de moslimwereld, waar precies daartegen zouden ze zich nu net met z’n allen en met succes kunnen verzetten. Ze zien toch ook wat er in het Afghanistan van de Taliban gebeurt? Men kan zich voorstellen dat ze, onder elkaar op de speelplaats van een Atheneum in Antwerpen waar ‘neutraal’ onderwijs wordt gegeven, voldoende steun bij elkaar vinden.

Kennelijk zetten deze jongeren zich af tegen de maatschappij zoals deze zich aan hen toont, en gebruiken ze daarbij die symbolen waarvan ze kunnen vermoeden dat deze symbolen die maatschappij tegen de borst zullen stoten. Anders werkt het protest niet.

Daaruit valt maar één conclusie te trekken: er is geen sprake van integratie en nog minder van assimilatie. Want als islamitische religieuze symbolen geschikt zijn om te dienen als katalysator van de het universele jongerenverzet tegen de maatschappij, wil dat zeggen dat die symbolen in hun leefwereld niet echt tot die vermaledijde maatschappij behoren. De Islam, zo blijkt dus, staat buiten de maatschappij. Meer zelfs: hij staat daar niet alleen buiten, hij staat er enigszins tegenover. Daardoor worden de islamitische symbolen bij uitstek geschikt als middel op de maatschappij, waartegenover men zijn eigen identiteit wil bevestigen, te prikken.

Welnu: hier toont zich het fatale failliet van de illusies van de multiculturele maatschappij.
Jarenlang heeft een bepaald links de wederzijdse verdraagzaamheid gepredikt en deze verdraagzaamheid vorm gegeven door de schepping van een multiculturele maatschappij. Daardoor heeft datzelfde links de segregatie, dat het in Zuid-Afrika met zoveel gemeend of voorgewend afgrijzen had bestreden, zélf alvast in aanleg ingevoerd.

Ook dat links wist verdomd goed dat een samenleving slechts kan bestaan, als ze gedragen wordt door een samenhangende, min of meer coherente publieke cultuur. Een samenleving die uit verschillende culturen bestaat, valt per definitie uit elkaar. Een multiculturele maatschappij is niet coherent – als de woorden tenminste nog enige betekenis hebben.

Dat uit elkaar vallen maken wij nu mee. Vele van de jonge vrouwen die thans naar het hoofddoek grijpen zijn zelf geporteerd voor een verregaande vorm van emancipatie. Dat nu net deze vrouwen naar een van de symbolen van hun eigen onderdrukking grijpen, zou voor een bepaald soort links een alarmbel moeten doen luiden. Links heeft de moslims in West-Europa (en hen niet alleen) de impliciete boodschap gegeven dat ze zich niet hoefden aan te passen. Dat ze het recht hadden op het behoud van hun eigen cultuur, hoewel links zeer goed wist dat dit een contradictie is. Ze hebben de conservatieve krachten binnen de islamgroepen de argumenten in handen gespeeld om elke integratie af te weren. En ze verschaffen jonge vrouwen nu een verkeerd middel om zichzelf in de ontplooiing van hun generatie te manifesteren.

Het hoofddoekendebat gaat niet over hoofddoeken. Het gaat over integratie – natuurlijk. Maar het gaat vooral over het failliet van de linkse, multiculturele maatschappij.
Jaak Peeters

woensdag 19 augustus 2009

Canossa of Reconquista?

De stelling dat de Midden-Oostelijke culturen strijdvaardiger en levenskrachtiger zijn dan de verweekte westerse, roept reacties op die niet onbeantwoord mogen blijven, al was het maar omdat het noodzakelijk is in deze moeilijke en kritieke materie een juiste, evenwichtige weg te vinden. De reacties beklemtonen dat de volkskracht van de Midden-Oostenvolken, zoals wij die percipiëren, het gevolg is van perverse onderdrukkingsmechanismen en niet van enige vorm van Moslimverlichting. Deze kritiek is, naar ik vrees, een schot in de roos, maar ze verandert niets aan de grond van de zaak, dat namelijk ‘ons’ Westen verweekt is en de Midden-Oostenaren krachtig en strijdlustig.

De volkskracht, zoals ik die omschreven heb, namelijk als het voortbrengen van toch maar weer kinderen ondanks alle onprettige vooruitzichten en als het vermogen om toch telkens weer recht te veren en de strijd aan te binden, is vooreerst het gevolg van de Islamitische gewoonte om meisjes zo jong mogelijk te doen trouwen en ‘op te zadelen’ met een hele sliert kinderen. Het gevolg van dat laatste is, vanzelfsprekend, dat vrouwen op geen enkele manier in het openbare leven aan de bak kunnen komen, want ze zitten aan hun huishouden vastgekluisterd. Overigens worden ze teruggejaagd naar hun huishouden als ze zich aan hun huishoudelijke plichten zoals mannen die opvatten onttrekken.


Aan de andere kant legt de Islam tegelijk de man de verplichting op om de eer van de familie, het vaderland, de Islam hoog te houden en in dergelijke primitieve samenlevingen gebeurt dit dan op een brutale, gewelddadige manier. Vanzelfsprekend wordt het strijdelement zodoende een centraal gegeven in de samenleving. De vrouw baart, de man strijdt, dat laatste op vele manieren. Populaire, nogal lapidaire samenvatting…

Er is dus terecht kritiek mogelijk op de volkskracht zoals de volken van het Midden-Oosten die tonen. Meteen is er al met al van enige vorm van Verlichting in de Moslimwereld op verre na geen sprake. Wie er wel mee begint, wordt van meetaf aan uitgestoten. Er zijn voorbeelden te over. Om derhalve dat beetje Verlichting vast te houden dat we in het Westen hebben verworven, moeten we ervoor zorgen dat deze primitieve (het woord werd bewust gekozen) Islamitische denkwijzen buitengaats worden gehouden. Onze houding kan dus niet anders zijn dan: ‘aanpassen of verhuizen’. En aanpassen betekent dan ook werkelijk: aanpassen. Niet thuis Arabisch spreken en in het Atheneum van Antwerpen het dragen van hoofddoeken gaan eisen. Aanpassen betekent: beseffen dat Vlaanderen westers is en dat wenst te blijven. Wie zich hier wil vestigen moet dus mee in die richting en in geen andere. Het is samen pompen of samen verzuipen. De toekomst is voortaan gemeenschappelijk. Zoniet moet men een retourkaartje kopen, enkele reis.

Komt dit neer op assimilatie? Ja. Zonder twijfel. En ik hecht eraan om dit, tegen al het modische multiculturele woordmisbruik in, te beklemtonen. Assimilatie is heel duidelijk. Op den duur verdwijnt het Moslimelement zodanig, dat het grotendeels onherkenbaar is geworden, of tenminste niet langer vergelijkbaar met wat we zien in het Midden-Oosten. Ook al zal het puur westerse op zich zeer zeker door de opneming van Islamitische elementen beïnvloed worden. Want het is een volstrekte illusie dat Europa kan blijven wat het is, na het opnemen van massa’s Islamitische immigranten, zelfs al gebeurt dat in de meest optimale omstandigheden. Daarover bestaan grondige en recente studies. Niettemin moet de Islam zoals we die nu kennen als relevante aparte en militant-missionaire maatschappelijke stroming op den duur ophouden te bestaan. De Islam als godsdienst kan alleen overleven als hij sterk gerelativeerd wordt, dit is: een onderdeel van de puur particuliere wereldbeschouwing van een deel van de bevolking is geworden.

Het alternatief is de sharia, en vermits die geen enkele Verlichting in zich draagt, zou zulks ook het einde van de westerse Verlichting betekenen. In deze situatie blijft de christelijke godsdienstige praktijk ook numeriek veel sterker dan de Islamitische. Beide leringen horen echter thuis in de persoonlijke levenssfeer.

Het is duidelijk dat dit laatste een heikel punt is. Elke godsdienst beweert antwoorden te geven op de grote vragen van het leven en de beslissende, voor het leven relevante gedragswijzen voor te schrijven. De gelovige staat dan telkens voor de uitzonderlijk moeilijke opdracht om te “schipperen” tussen de godsdienstige leringen die hij aanhangt en de maatschappelijk algemeen geldende gedragswijzen.

Welnu: precies op dit gebied, dus in het “schipperen”, vindt men volgens mij de ware Verlichting. Ik denk dus dat een verlicht leven voor een gelovige veel moeilijker is dan voor iemand die zich niet tot enige dogmatische lering bekent. Maar dat is een andere discussie. Een verlicht mens lijkt me in ieder geval een mens die in het leven met rede en verstand kan “schipperen”. Dit “schipperen” is niet: plantrekkerij, maar bestaat eruit telkenmale de meest evenwichtige keuze te maken. Dat kan inderdaad op bepaalde momenten de verplichting oproepen geweld te gebruiken.

Verlichting is dus niet zozeer een politieke toestand – hoewel die als omkaderende voorwaarde noodzakelijk is en de Verlichting historisch dat ook is. Verlichting is een zijnswijze, een gedragswijze en dito houding, net zoals democratie er een is. Op deze manier opgevat, is Verlichting zo oud als mensen filosoferen en denken. Een individu is verlicht, dat wil zeggen: het licht van een redelijke wijsheid – een woord dat te veel in onbruik is geraakt door ons rechnende Denken – moet te allen tijde de gedachten van het individu beschijnen. De Verlichting zit in onze geesten. Ze zweeft niet rond, ergens in de lucht, als een geest of zoals de muze. Dat geldt zelfs al voor de uitsluitend politiek opgevatte Verlichting.

Op deze manier geformuleerd is Verlichting voor een bijzonder kleine minderheid weggelegd. Je moet een kei zijn, als je bij machte bent om op haast elk moment evenwichtig te schipperen. Daarom moet de Verlichting begeleid worden door een leidend principe. In mijn visie is dat: een esthetische zienswijze. Die kenmerkt zich door respect voor wat is, respect voor de intrinsieke waarde van wat zich aandient. Een welbegrepen ecologie kan een aanzet in die richting vormen.

De historische Verlichting van de achttiende eeuw voldoet aan deze eis niet. De Franse Revolutie was brutaal, onverdraagzaam, gebaseerd op de gevoelens van een getraumatiseerde massa. Ze werd door sommigen voorzien van het predikaat “satanisch”. Dat lijkt me sterk overdreven, maar de toestanden die tot de uitbarstingen aanleiding hebben gegeven, stonden het ontstaan van een ware geestelijke Verlichting in ieder geval in de weg.

Volgens het principe dat geweld altijd tegengeweld oproept, en dus trauma’s de oorzaak van nieuwe trauma’s zijn, werd de verdere historische afwikkeling van onze geschiedenis gekenmerkt door een politieke en maatschappelijke strijd, maar ze ging grotendeels voorbij aan wat echt op de agenda stond: de Verlichting van de geest – de Kantiaanse Verlichting, zeg maar, ook al kende ook Kant de betekenis van de politieke Verlichting onder Frederik maar al te goed.
Zo komen we uit op een hedendaagse, eenentwintigste-eeuwse westerse beschaving die een eenzijdige vorm van politiek-maatschappelijke Verlichting heeft geïmplementeerd. Omdat de echte geestelijke Verlichting te veel ontbreekt, ontbreekt ook de zelfkritiek die nodig is bij elke evenwichtsoefening en dus nodig is om een samenleving te vormen, waarin verschillende strekkingen al dan niet harmonieus kunnen samenleven. Een samenleving heeft echter behoefte aan een leidend beginsel, want anders fractioneert ze volledig. We hebben in het Westen dat leidend beginsel gezocht en gevonden in een egoïstisch materialisme. Egoïstisch, omdat dit zweemt naar Verlichting en materialistisch, omdat dit weergeeft dat we afstand nemen van een Kerk die het eeuwenlang voor het zeggen had en we het recht opeisen om ons eigen voordeel na te jagen.

Mijn stelling luidt dat dit alles een hoogst onsmakelijk mengsel vormt. Als een dergelijke beschaving opbotst tegen een veel primitievere Islamitische maatschappij, die de scrupules van zelfs een halve Verlichting helemaal niet kent en er dus ongehinderd op los kan slaan, moet zij het pleit verliezen. Alles wijst erop dat het Westen zich steeds meer vastbijt in zijn egoïstisch materialisme, ook omdat dit nu juist het meest opvallende uiterlijke teken is van zijn vermeende superioriteit tegenover de Islam. Vervolgens produceert het Westen een vreemd mengsel van diepe angst voor de Islam, vermeende grootmoedigheid en voorgewend universalisme. Terwijl aldus de westerling verweekt of verwijft – althans de meerderheid –, wordt hij aan de andere kant door een uiterst curieuze wetgeving tot zwijgen gedwongen en daardoor nog meer in zijn materialisme – zijn cocon – gedrukt en verliest hij de weerbaarheid en de strijdlust die minder scrupuleuze culturen dan weer te overvloedig bezitten.

Als er één positief element kan verborgen zitten in de massale – veel te massale, naar valt te vrezen – immigratie van Islamieten in onze cultuur, dan moet dat gezocht worden in de kans, dat hun strijdbaarheid aanstekelijk werkt. Als tegenprestatie moeten zij dan meegaan op de weg naar een ware en volledige geestelijke Verlichting. Die weg kunnen ze samen met de autochtonen afleggen.

Alleen zal dat een aartsmoeilijke weg zijn, zelfs voor autochtonen.
Ik zie met de beste wil van de wereld geen andere verteerbare toekomst voor onze landen. Alle andere wegen leiden, dunkt me, of naar Canossa of naar de met militaire middelen doorgevoerde reconquista.

Men kieze zelf.

Jaak Peeters

dinsdag 18 augustus 2009

Een tanende beschaving?

Vakantietijd is de tijd om het soort boeken te lezen, dat je anders opzij legt. Omdat ze te dik zijn, bijvoorbeeld. De grote beschavingsoorlog van de Britse journalist Robert Fisk is er zo eentje. Het is een kanjer: bijna twee kilo zwaar en ruim veertienhonderd bladzijden lang. Neen: niet vol illustraties en tekeningen. Zo krijg je namelijk al snel wat bladzijden bij elkaar. Het boek van Fisk is vrijwel uitsluitend tekst, op wat schaarse landkaarten na.

De man moet er lang aan gewerkt hebben. Hoewel. Wie zijn wedervaren als oorlogscorrespondent neerschrijft, herinnert zich daarbij de momenten dat hem de kogels in de meest letterlijke zin rond de oren floten. Fisk beschrijft zo’n gebeurtenis. Hij voegt er meteen een zeer wijze beschouwing aan toe. Wij, westerlingen, die geen oorlog hebben gekend tenzij van horen zeggen en uit films, voelen de realiteitswaarde van de gruwelijkheid die oorlog is niet meer aan. Fisk wijst erop dat het wel even duurt voor die realiteitswaarde van zo’n militaire moordpartij begint door te dringen. Oorlog is doden! Niets anders. Zoveel mogelijk mensen kapotmaken. Het maakt niet uit hoe, als ze maar dood zijn. Het is écht, wie gedood werd verdwijnt voorgoed uit het bestaan. Westerlingen schijnen vaak te denken dat oorlog iets is als een Hollywoodprent in het groot. Een soort weggelopen film. Daarin vallen ze ook als vliegen, om vervolgens, als de opname voorbij is, samen weer naar huis te wandelen. Maar oorlog is geen Hollywood: het is echt. Wie dat aan den lijve heeft ondervonden, wie de kogels werkelijk om de oren heeft weten fluiten, zal geen moeite hebben deze indringende belevingen nadien te vertellen.

Het verbaast me niks dat Fisk 1.400 bladzijden nodig had om de stoom af te blazen. Bij dat ‘doden’ maken de meeste westerlingen zich bovendien nog verkeerde voorstellingen. In een oorlogsfilm zie je weliswaar soldaten vallen, neergeschoten of door bommen en granaten omhooggesmeten of neergeworpen in een roes van neerdwarrelend stof. Maar ook dat is niet de realiteit. Die is namelijk veel rauwer. Doden in een oorlog betekent: kapotgereten lichamen, bloedspatten overal, hersenen die uit de schedel werden geslagen, de hand van een gedode kameraad oprapen, zijn afgeschoten hoofd voor je zien voorbijrollen, de ogen wijdopengesperd van de angst. Oorlog betekent rondslingerende, nog warme darmen, krijsen, schreeuwen, brullen, reutelen. Het zijn ontploffingen die het gehoor meteen voorgoed beschadigen. Het gefluit van de overvliegende projectielen. Het huilen van de motoren van laagvliegende jets. Het gedaver van voorbijrollende tanks. Oorlog is gifgas, bacteriologische bommen die doen kokhalzen, de buiken doen opzwellen in een orgie van helse pijnen tot de verlossende dood erop volgt.

Dat is ‘doden’ in een oorlog. Kapotmaken. Vermassacreren. Afslachten. Ik herinner me het moment dat men besloot de promovendi van de militaire academie in Brussel een universitaire titel toe te kennen. Voortaan zouden ze de titel van ‘licentiaat in de humane wetenschappen’ voeren. Humane wetenschappen? Ik zou veeleer zeggen: INhumane wetenschappen!

Als ik dat allemaal zo bedenk, kan ik alleen maar akkoord gaan met hen, die er zowat alles voor over hebben om te voorkomen dat er nog ooit een oorlog uitbreekt. Montaigne had gelijk. Mensen zijn wreedaardige dieren. Het is verschrikkelijk.

En toch. Er is iets dat me dwarszit. Als ik terugdenk aan het monumentale geschrift van Fisk, dan valt me vooral op hoe de Moslimbeschaving leugen, list, bedrog, omkoperij, corruptie, geweld en onderdrukking als normale politieke actiemiddelen opvat. Je kunt daarover eindeloze beschouwingen uitwerken. Over ‘achterlijkheid’ en zo van die dingen. Ik weet niet of een vergelijking met het ‘ontwikkelde’ westen zoveel verschil op zou leveren.

Maar daarover wil ik het niet hebben. Overigens vervallen we op die manier, naar ik vrees, al snel in gemeenplaatsen. Het gaat erom dat de volkeren van het Midden-Oosten in een gewelddadige wereld leven. Neem nu de Koerden: zij worden in Turkije vervolgd en in Irak werden ze door Sadam Hoessein vergast. En toch blijven die Koerden doorvechten. Zij blijven ijveren voor de vrijheid van hun volk. Dàt is het punt. Dat is het ongelooflijke, het voor verweekte westerse geesten ondenkbare. Ze gaan door, ondanks alles. Denk maar niet dat al dat moorden, branden en verkrachten de mensen uit dat gebied ertoe brengt dan maar géén kinderen meer op de wereld te zetten opdat die toch al die miserie niet zouden moeten meemaken. Zoiets hoor je vrijwel dagelijks om je heen.

Maar niets daarvan! Die volkeren blijven maar kinderen op de wereld zetten. Alsof ze denken dat als er maar genoeg kinderen zijn, er altijd wel voldoende zullen overblijven. Dàt is het, wat mij opvalt.

Ik sta in bewondering voor deze houding. Ze getuigt van een enorme levenswil, van een onblusbare levenskracht, van de felle wil om voort te bestaan en de moeilijkheden te overwinnen, hoe groot die ook zijn mogen. Ze getuigt ook van een diep-sociale zin. “Misschien zullen MIJN kinderen het niet overleven, maar dan toch wel de jouwe!” Want het zijn tenslotte toch allemaal ‘kinderen van ons volk’ – zo schreef Anton Coolen het ooit. Jaja: ook bij ons bestond ooit diezelfde levenskracht.

Waar ze die diep-sociale zin vandaan halen, op welke manier en onder welke vorm ze die sociale zin tot uiting brengen, doet hier niet terzake: het gaat me om het blote feit dat die volkeren in het hopeloos instabiele Midden-Oosten getuigenis afleggen van een levenskracht waarvan wij, verwijfde westerlingen, alleen maar kunnen dromen – als we aan zoiets zelfs nog maar denken, natuurlijk.

Uit het boek van Fisk bulkt onweerstaanbaar die vitale levenswil van die volkeren. Elke bladzijde legt daarvan getuigenis af. Ze worden gegeseld en gemarteld – vaak letterlijk –, maar ze staan weer recht en zetten het leven voort. Plaats daar het Westen tegenover, dat niet eens bij machte is zichzelf biologisch in stand te houden. Europa kan zijn bevolking alleen maar op peil houden door mensen uit andere streken in te voeren. Teren op de biologische levenskracht van andere volkeren, noem ik het.

Ik weet niet wat ik daarover moet denken. De Verlichting die wij in Europa hebben gekend heeft een ‘knik’ in de geschiedenis van onze beschaving gebracht: ze bracht de politieke vrijheid van elk individu binnen bereik. Men zou hierover samen met Kant moeten juichen, want op zich is dat een uniek moment in het historische bestaan van de menselijke soort.

En toch juichen we niet. Velen zouden het liefst zelfs die Verlichting uitgommen, de klok terugdraaien – als dat te enenmale mogelijk zou zijn. Het is alsof we allemaal beseffen dat er een onsmakelijke keerzijde aan de medaille van de Verlichting vastzit. Want wie aan Verlichting en Moderniteit denkt, kan er niet omheen: je moet ook denken aan materialisme en aan egoïsme en vooral: aan de combinatie van deze twee, het materialistisch egoïsme. Vooral sinds de laatste oorlog. En denken aan de hypocrisie van onze tijd, die in eigen land ongeboren kinderen laat aborteren – en heus niet omdat ze mismaakt zijn – en intussen het geweten sust door miljarden door te sluizen naar vaak corrupte regimes en systemen in arme landen – die we eerst arm hebben helpen maken in de koloniale tijd en vervolgens door de EU die gesubsidieerde landbouwoverschotten op de locale markten dumpt en zo de lokale landbouw kapotmaakt – en tegelijk elke dissidente stem in eigen land voor inquisitoire rechtbanken te brengen.

Hoe dat alles maar mogelijk is, daarover wil ik hier geen uitspraken doen. Evenmin wens ik me uit te spreken over al die feiten en gebeurtenissen in het Midden-Oosten, noch over de terechte – naar mijn oordeel – overtuiging dat de Verlichting een waarlijk historische kans zou kunnen zijn. ‘Zou’. Want ze is niet af, ze is verre van af, die Verlichting. Het komt me zelfs voor dat de echte Verlichting nog moet beginnen. Maar ook dat is een andere discussie.

Intussen is er, wat er is. En dat is veel meer dan niets. Daarover gaat het dus niet. Waar het mij nu om gaat is het immense verschil tussen die levenskrachtige Midden-Oostenwereld van gepijnigde en getergde volkeren die ondanks alle geweld en al die gruwelijkheden, toch in het leven blijven geloven en dat Westen – voornamelijk Europa – dat zich wel schijnt uit te putten in een cynisch egoïstisch profitariaat van een après-nous-le-déluge-geest en elke vorm van collectieve levenswil schijnt opgegeven te hebben. En dat laatste nota bene, nadat het zélf de wellicht meest humane boodschap uit de menselijke geschiedenis voortbracht: de Verlichting, een boodschap haast waarvoor je warempel je leven zou geven. Wie de vergelijking maakt tussen dat letterlijke moordende leven in het Midden-Oosten en het gepamperde materialisme van Europa, ontkomt niet aan de pijnigende indruk dat die geroemde Westerse beschaving op haar laatste benen loopt.
Jaak Peeters