zaterdag 28 november 2009

Het land van de waanzin

Burgemeester Somers heeft bekend gemaakt dat zijn stad, Mechelen, een centrum wil oprichten waar vrouwen hun kind kunnen laten aborteren. Is het nu al de taak van een stedelijke of gemeentelijke overheid om vrouwen bij te staan bij het “wegwerken” van hun ongeboren kind?

Men kan begrijpen dat een stedelijke overheid haar burgers bijspringt wanneer die in nood komen. Bijvoorbeeld bij ziekte of ongeval. Hoewel: voor die gevallen bestaan er al langer georganiseerde hulpsystemen. Maar goed, in elk net zijn er te grote mazen. Men is dan ook geneigd om een gemeentebestuur alvast de opdracht toe te schrijven om haar hulpbehoevende gemeentenaren uit de penarie te helpen. Het OCMW werd niets voor niets uitgevonden. Per slot van rekening is een gemeentebestuur die overheid, die het dichtst bij de bevolking is geplaatst. Als er dus één overheid is, die in de mogelijkheid is om de onvermijdelijke mazen van het net nauwer te sluiten, dan is het de gemeentelijke. Dat is ipso facto het geval wanneer het om problemen gaat, die de sfeer van de intimiteit beter niet te ver te buiten gaan. Een gemeentelijke overheid kent de situatie of is in ieder geval in staat om die ter plekke te pakken te krijgen.

Dit soort optreden, dunkt me, is evenwel altijd positief bedoeld. De doelstelling is altijd om het leven beter mogelijk te maken en in sommige gevallen gewoon zelfs gewoon maar mogelijk te maken.

Maar nu zien we een stadsoverheid optreden om het leven ONmogelijk te maken. Volstrekt luguber is zulks, en men vraagt zich af of stadsbestuurders nog wel goed bij hun hoofd zijn om zoiets akeligs te kunnen bedenken.

Oh ja: men staat jonge vrouwen bij. Want de meeste abortussen -- de krant schreef het deze week nog -– worden gepleegd door jonge vrouwen tussen de 17 en de 24. Vele abortussen gebeuren in erbarmelijke medische omstandigheden, omdat de plegers zich niet te schande willen zetten. Dus valt er op het eerste gezicht wel iets te zeggen voor het initiatief van een stadsbestuur dat in het nauw zittende vrouwen in de mogelijkheid wil stellen om hun daad tenminste in medisch verantwoorde omstandigheid te verrichten.

Maar dat alles is wel een omgekeerde wereld. Want een stadsbestuur zou ook ten strijde kunnen trekken tegen die taboes, die de schande oproepen. Dat zou pas vrij-denken wezen. Het is een wereld bovendien, waarin stadsbestuurders kennelijk geen last hebben van enige behoefte tot kritisch nadenken, al pakken ze zelf te pas en te onpas met die kwaliteit uit. Want àls het juist is dat een stedelijke of gemeentelijke overheid bij machte is om zo dicht bij de bevolking te staan, dat ze ook een redelijk idee heeft van de intieme noden van die bevolking, waarom speelt ze dan daar niet op een positieve manier op in? De stad zou jonge vrouwen op het einde van hun zwangerschap kunnen opvangen, ze vrijwaren voor de schande en vervolgens de kindjes aan adoptieouders kunnen helpen. Nu moeten adoptieouders vaak een jaar of langer wachten vooraleer ze een kind kunnen adopteren. Vaak lukt het gewoon nooit en gaan ze in China of Ghana op zoek naar een wildvreemd kind.

Somers en zijn geestesgenoten moeten toch zelf ook weten dat het adopteren van een kind heus geen zaak is van ‘één en één is twee’? Wie een kind adopteert, adopteert meteen ook een stuk van de levensgeschiedenis van zijn ouders. Een geadopteerd kind is geen onbeschreven blad. Ouders die volwassen geadopteerde kinderen hebben weten daar best over mee te praten. Derhalve is het van groot belang de levenssituatie van de moeder in het hele adoptieonderzoek mee te nemen. En laat nu net die gemeentelijke overheid het best geplaatst zijn om die levenssituatie te beoordelen.

Overigens vraagt men zich af waar het met dit land naartoe moet. Mechelen heeft zowat 80.000 inwoners. Dat is één tachtigste van het totale Vlaamse bevolkingstal. Als de stadsbestuurders van Mechelen gelijk hebben, dan zouden er in Vlaanderen zowat 80 abortuscentra moeten komen. Tachtig centra waar op een medisch verantwoorde manier kinderen van eigen volk omgebracht worden. In welke macabere wereld komen we terecht? Laten we het Vlaamse leeuwensymbool maar meteen door een doodshoofd vervangen. Vlamingen: de grootste griezels van de wereld?

Dit lijkt steeds meer op een ijzingwekkende heruitgave van de vernietigingskampen van het Naziregime. Alleen: Hitler heeft er nooit zovéél gehad. Maar in Vlaanderen: daar liggen de vernietigingscentra overal verspreid. Open en bloot, zij het zonder rokende schouwen. Ja, toch?

Intussen worden honderdduizenden illegalen geregulariseerd. Die hebben nota bene de wet overtreden. Ook in dit opzicht dringt zich de gedachte op aan een wansmakelijke overeenkomst met de gezellen van Hitler. Het lijkt allemaal beangstigend veel op een bewuste actie om een etnische wisseling tot stand te brengen. Als vorm van racisme kan dat tellen.

En als het dat niet is, als de partijgangers van deze wereld toch niet zo grondig nadenken als ze soms voorwenden, dan betreft het hier in ieder geval een geval van acute waanzin.

Jaak Peeters

vrijdag 20 november 2009

De natiestaat genaamd EU

De aanstelling van de Belgische premier Van Rompuy tot permanent voorzitter van de Europese raad is een nieuwe stap op de weg naar de vorming van een Europese superstaat. De stappen die nu nog moeten volgen vallen perfect te voorspellen: de Europese commissie wordt omgevormd tot een regering, waarbij de verhouding met het Europees parlement wordt herschikt. De huidige commissievoorzitter wordt premier. Een minister van “buitenlandse zaken” is er inmiddels overigens ook al. De Europese raad zelf wordt omgevormd tot een adviesraad voor de straks verkozen Europese president. Nadien alle legers nog onder één commando brengen, en klaar is kees.
Wat daarna gaat komen -– voor zover het niet al bezig is -– is veel minder zichtbaar, doch veel belangrijker.

Het gaat erom dat nu ook alles in het werk zal worden gesteld om een Europese natie op te wekken. Opwekken, want ze bestaat niet. Die natie zal de oude naties in Europa vervangen of tenminste insluiten en overschrijden. Want zonder een natie is een staat geen lang leven beschoren, afhankelijk als hij is van de existentie van de elites die hem in het leven hebben geroepen.

Zo’n Europees nationaal gevoel berust op sterke gronden. Een Europese natie wekt door haar omvang bij velen een veiligheidsgevoel op. Wat groot is, wekt de indruk veiligheid te verschaffen. Dat is illusoir natuurlijk, maar het werkt wel. Ten tweede geeft Europa de indruk een geografische eenheid te vormen, die als een apart geheel van andere eenheden is afgescheiden. In werkelijkheid is Europa slechts een schiereiland van het Euraziatische continent, van Afrika door slechts twee smalle zeestraten gescheiden. Dieper ligt de idee van een geestelijke Europese eenheid. Die berust op de perceptie van een gedeelde christelijke erfenis. Want ondanks alle godsdienstoorlogen zit toch hetzelfde geloof in dezelfde God in de Europese genen. De EU van onze dagen lijkt dan nog het meest op een Karolingisch rijk, dat het aardse verlengstuk van de door de Paus geleide geestelijke orde wilde zijn. Deze idee wordt sterk gecontesteerd door de aanwezigheid van miljoenen Islamieten op Europese bodem.

Een sterk gegeven is ook dat de Europese Unie er naar buitenuit kan op bogen in vrede te zijn ontstaan, in tegenstelling tot al haar voorgangers, die slechts het product van militair geweld waren. Daarom kan dit Europa de illusie opwekken dat het een project van een totaal andere orde is en de hoop doen gloren dat de Europese mens de periode van de oorlogen voorgoed achter zich heeft gelaten. Waarbij voor het gemak vergeten wordt dat precies de Tweede Wereldoorlog het huidige Europese project heeft mogelijk gemaakt. En waarbij vooral wordt vergeten, dat de burgers nooit de kans hebben gekregen om over het principe van een Europese staat uitdrukkelijk te stemmen. Meer zelfs: de Europese protagonisten hebben nooit open kaart gespeeld en openlijk gezegd dat het hun bedoeling was de oude staten door een Europese te vervangen -– op iemand als Mark Eyskens wellicht uitgezonderd. Met andere woorden: de EU is er weliswaar zonder oorlog gekomen -- als gevolg overigens van de zwakheid van de oude rivalen -- , maar niet zonder bedrog.

Doch zoals altijd schuilt er ook nu weer een adder onder het gras. Meer zelfs: alles laat vermoeden dat deze adder de omvang heeft van een flink uit de kluiten gewassen anaconda. Want een Europees nationaal gevoel, dat de onvermijdelijke keerzijde is van een Europese natie, komt zonder enige twijfel in directe concurrentie met de bestaande naties. Nationaal gevoel bestààt er in Europa namelijk al en het is zelfs wijdverbreid. Op het bord liggen dus twee clusters van nationaal gevoel. Het Belgische voorbeeld leert wat er te gebeuren staat: beide clusters zullen met elkaar de strijd aanbinden om de dominantie. Daarbij zullen alle wapens uit de kast worden gehaald, van mythologie tot brutaal geldelijk belang. De Europese natie zal verkondigen dat ze algemener, inclusiever, dieper en ouder is dan klassieke nationale gevoelens en daarom de betere adelbrieven bezit, precies zoals het Belgisch nationaal gevoel dat altijd tegenover het Vlaamse nationalisme heeft gedaan.
Dat de stichting van de Europese superstaat met bijhorende Europese natie het einde inluidt van het zo vaak verfoeide nationalisme -– zoals vele eurocraten dromen -- is dus verre van zeker, want veeleer een versterking van de nationalistische spanningen valt te verwachten.

Op dezelfde manier als Vlamingen er allesbehalve gelukkig om zijn dat hun energiebeleid in Parijs wordt gevoerd, zullen de oude gemeenschappen telkens weer ressentiment ontwikkelen omdat zij het gevoel krijgen dat hun zeer ruim opgevatte belangen binnen de Europese ruimte niet in goede handen zijn en dat zij de greep op hun eigen lot verliezen. Want als het aankomt op de veiligheid van lijf en leden en het eigen bezit, grijpt een mens naar wat hem overzichtelijk lijkt en bekend voorkomt. Europa is daar veel te groot voor en veel te verscheiden om op een intieme manier tot het eigene te kunnen worden gerekend.

Jaak Peeters

zaterdag 14 november 2009

Een niet ingeloste belofte en een gevaarlijke gek

Wat doe je, als je een dergelijk boek gelezen hebt? Dan pak je een ander boek vast, dat zich – althans volgens de titel – daar volkomen tegenover plaatst. Dit is het dus:“Hoe komen we van religie af?”,van Floris van den Berg. Kent u hem niet? Geen nood: U mist er niets mee. De man stelt zich voor als een liberaal. Ik zal, naar ik hoop, snel duidelijk maken dat die man geen liberaal is, maar een gevaarlijke gek.

[lees het volledige artikel]

Jaak Peeters

vrijdag 13 november 2009

Emancipatie herbekeken

Er is in het maatschappelijk debat nogal wat te doen over wat genoemd wordt: ‘emancipatie’. Het woord komt voort van het Latijnse emancipare, hetgeen bij de Romeinen stond voor het officiële proces waarbij de zoon uit de vaderlijke macht werd ontslagen. De zoon werd daardoor zélf pater familiae. Als dan zijn eigen zoon later op de gepaste leeftijd zou zijn gekomen en de geschiktheden zou verworven hebben, kon hij die op zijn beurt ‘emanciperen’.

Emancipatie had bij de Romeinen dus een duidelijke maatschappelijke betekenis en er bestond ook een juridische omkadering voor. Het was een soort officiële meerderjarigheidsverklaring. Emanciperen was iets wat je onderging, al kon je je erop voorbereiden. Door te studeren, bijvoorbeeld.

In die betekenis is het begrip velen in onze dagen evenwel niet bekend. Wie over ‘emancipatie’ spreekt, bedoelt het streven naar gelijkberechtiging, naar evenwaardigheid, naar zelfstandigheid en eerlijke maatschappelijke verhoudingen, een streven dat uitgaat van diegene die zichzelf wenst te emanciperen. Zo staat het uitdrukkelijk in Wikipedia. Bij de Romeinen had het begrip dus een veel specifiekere betekenis, want het was een begrip binnenin de familieverhoudingen.

De betekenis die het begrip emancipatie in het algemene debat vandaag heeft, kan evenwel aan ernstige kritiek worden onderworpen.

[lees het volledige artikel]
Jaak Peeters

Is de Vlaming onverschillig?

De hedendaagse Vlaming is een hypocriete, vaak drammerige figuur, wiens existentie doortrokken is van gevoelens van onmacht en gevaar, hetgeen uiteraard meestal samengaat. Daar zijn redenen te over voor: dit is geen diskwalificatie van een volk dat weinig historische meevallers heeft gekend en niettemin toch de moeilijke tijden van vandaag mee moet doorstaan. De foertstemmen die in Vlaanderen zo rijkelijk worden uitgebracht zijn dus geen teken van antipolitiek – wat die curieuze term ook moge betekenen. Ze zijn het bewijs van een getormenteerde collectieve ziel, een tormentering die voor schrijver dezes nu net de hoofdreden vormt waarom dit volk zonodig voor enige tijd in een onafhankelijke staat moet kunnen leven. De Vlaming is een bangerik en dat moet hij nodig afleren.

[lees het volledige artikel]
Jaak Peeters

vrijdag 23 oktober 2009

Het gaat om efficiëntie, dwaas!

De verschijning van Maddens’ boek, "Omfloerst separatisme", heeft nog eens de aandacht getrokken op een oud teer punt in de discussies over de staatkundige ontwikkeling van Vlaanderen. Lange tijd deden spraakmakende journalisten à la Reynebau c.s. en hun meer academische geestesgenoten namelijk nogal meewarig over het romantische gedoe van het Vlaamse nationalisme. Vendelzwaaien en zo, weet U wel? België, beste man: dat is het bewijs van het menselijk vermogen tot rationeel samenleven! Is de Belgische staat niet het bewijs bij uitstek dat moderne verlichte mensen in staat zijn de duistere tribale achterlijkheden van het nationalisme achter zich te laten? Moderne verlichte mensen sluiten zich immers aaneen op grond van hun even verlicht burgerschap. Meester Renan heeft het ons toch geleerd? Nationalisme, racisme en dit soort fraaie besognes zijn relicten uit het verleden. Men houdt er best geen rekening mee, of beter nog: men tracht ze uit te roeien. Men past de lesprogramma’s in de scholen aan en wijdt zich aan de edele taak van de volksopvoeding via de media. En men voort een Gedankenpolizei in, al blijkt het succes daarvan nogal betwistbaar.

Maddens brengt evenwel – en passant – een heel andere boodschap. Niet alleen verklaart hij dat het Belgische nationalisme veel gevaarlijker is dan het Vlaamse, waarmee hij stelt dat er dus ook een Belgische vorm van nationalisme bestaat. Daarmee rijzen er vragen aan het adres van de belgofiele disputeerders over het rationele karakter van het Belgische staatsverband. Wie daar scheel naar kijkt en er overheen wil zien, kan echter een andere uitspraak van Maddens zeker niet naast zich leggen: de Belgische overheid doet er alles aan om bij de bevolking een Belgisch gevoel aan te kweken. Een Belgisch gevoel! Tiens, het Belgisch samenleven kan dus niet zonder een dosis gevoel. Een dosis die zonodig moet verhoogd worden en dus op het moment niet hoog genoeg is. Het angstvallig volgehouden geloof in het rationele karakter van de Belgische samenleving dreigt hiermee wel helemaal onderuit te worden gehaald. Want als de Belgische overheid in een tijd van pecuniaire schaarste stapels kostbaar geld besteedt om de bevolking ‘nationale sentimenten’ aan te praten, dan wordt daarmee aangetoond dat België zonder die opgeklopte emoties niet kan blijven voortbestaan. Goed om weten!

Meteen kijkt men dan naar de leidende Vlaamsnationale club van het ogenblik, aangevoerd door De Wever en Co. Opvallend is dat De Wever en zijn vrienden het helemaal niet hebben over Vlaamse al dan niet romantische sentimenten. Hun discours is doorspekt met en gebouwd op een heel ander kernwoord: de efficiëntie. De hedendaagse Vlaamse nationalist ijvert niet voor een onafhankelijk Vlaanderen uit romantische sentimentaliteit, maar vanuit efficiëntieoverwegingen. Zelfs Dave Sinardet heeft het opgemerkt, en die man kan men bezwaarlijk van overdreven vlaamsgezindheid verdenken.

Daarmee zijn sentimentaliteit en verlicht rationalisme ongemerkt van kamp veranderd. Waar voorheen de belgicisten aanspraak maakten op een rationele benadering van de staatkunde, blijken het nu de Vlaamse nationalisten te zijn die zich op rationele overwegingen beroepen om hun staatkundige doelstellingen te grondvesten. Tegelijk voelen de belgicisten zich kennelijk verplicht een beroep te doen op hetzelfde soort sentimentaliteit, die zij voorheen in het Vlaamse nationalisme tot voorwerp van hun spot meenden te moeten nemen.

Bovendien staat het discours van De Wever en zijn vrienden behoorlijk stevig op poten. Men predikt de staatshervorming – die met België op de achtergrond weinig anders kan zijn dan Vlaamse staatsvorming – om in de gelegenheid te zijn efficiënt te besturen. Want met België lukt dat niet meer, als het ooit al gelukt is. Maar omgekeerd klopt het Weveriaanse verhaal ook. Wie efficiënt bestuurt, verwijdert zich van België en komt uit bij een Vlaamse staatstructuur.

Waar De Wever zijn mosterd heeft gehaald, is niet meteen geweten, maar het zou best wel eens Vaclav Havel kunnen wezen. Die heeft, vele jaren geleden al, toch verklaard dat de staat de weerspiegeling van de ziel van het volk moet zijn? Omgekeerd wil dat zeggen dat een staat, die niet op maat van zijn bevolking is gemaakt, onmogelijk goed kan functioneren. Lees: onefficiënt is.

Het bewijs van de juistheid van de stelling dat meer Vlaanderen noodzakelijk is om efficiënt te kunnen besturen, springt zelfs de politiek halve blinde in de dagelijkse feiten van vandaag in het gezicht. Doch dat, omgekeerd, efficiënt besturen onvermijdelijk leidt tot verwijdering van het Belgisch staatsverband, begint zich doorheen de praktijk van het Vlaamse regeringswerk eveneens steeds meer te manifesteren. Het is heel simpel en daarom in zijn bewijskracht onweerstaanbaar: de Vlaamse regering voert de noodzakelijke besparingen door, de Belgische regering slaagt daar niet in. Zij hoopt op betere tijden, waardoor besparingen niet langer hoeven. Maar die betere tijden zullen ook voor de Vlaamse regering nieuwe opportuniteiten brengen. Daardoor blijft België op achterstand. En zo zal opnieuw het bewijs worden geleverd dat wie efficiënt bestuurt, zich best verre van België verwijderd houdt.

Het enige wat voor België overblijft is een sentimenteel vendelgezwaai, een emotioneel relict uit het verleden.

Jaak Peeters

maandag 5 oktober 2009

Verdeeldheid versus eenheid

Dave Sinardet, een ‘politoloog’ aan de Unief van Antwerpen, had het in zijn opiniestukje van 5 oktober in De Standaard over het streven van de Partie Quebeqois naar een onafhankelijke Quebecse staat. Met een de roskammerigheid, eigen aan elke schoolmeester, wijst zijne Geleerdheid de Quebeqois terecht en houdt hij hen het voorbeeld van de Vlamingen – horresco referens ! – voor. Die baseren hun nationaal discours toch niet ook op het natiebeginsel, maar op principes zoals goed bestuur en efficiëntie, weet Sinardet.

Over Dave Sinardet is bekend dat hij allergisch is voor alles wat naar nationalisme riekt. En als ervaren psycholoog weet ik dat wie van een bepaald leerstelsel niet moet weten, daar doorgaans ook niet veel van snapt. Zulk inzicht zou tot elementaire bescheidenheid moeten aanzetten, maar die is er veelal niet bij. Zo zou Sinardet, bescheiden en open als hij is, zijn oor te luisteren kunnen leggen bij wat nationalisten daar zélf over vertellen. Doch dàt blijkt voor Sinardet en de meerderheid van de meute ‘politologen’ en commentaarschrijvers (m/v) die Vlaanderen rijk is, een brug te ver. Sinardet zou dan namelijk ontdekt hebben dat ‘de natie’ wel eens iets heel anders zou kunnen zijn, dan zijn vooringenomen voorstellingsvermogen daarover toestaat tot verschijning te komen... Het zij zo.

Laten we dan toch hopen dat de dames en heren politologen tenminste logisch redeneren. Weerom moet ik vervelend doen, want alvast Dave Sinardet redeneert NIET logisch. Met een verwijzing naar hét referentiepunt van het moment, de voor vrouwelijke bevalligheid niet ongevoelige Nicolas Sarkozy, beleert hij de Quebeqois, dat ‘de wereld meer eenheid en minder verdeeldheid nodig heeft.’ Je ziet hem daar zo staan, schoolmeester Dave, met het vingertje opgeheven en met milde gestrengheid zijn pupillen aankijkend. En dus moeten de Quebequois – en bij uitbreiding de Vlamingen – hun onafhankelijkheidsdromen maar opbergen.

Nu heb ik altijd geleerd dat een woord altijd het centrum is van een cluster van betekenissen. Het komt zelden voor dat twee dergelijke clusters elkaars perfecte tegengestelde zijn. Maar het komt wel vaak voor dat ze tenminste tegenover kunnen worden geplaatst. Weliswaar heffen ze elkaar niet op zoals de wiskundige min de plus opheft, maar ze liggen elk toch grotendeels langs de andere kant van de barrière.

Welnu: Sinardet denkt dat dit laatste het geval is met de termen die hij in zijn opiniestuk hanteert: eenheid versus verdeeldheid. Volgens hem komt het opgeven van het Quebeqoise separatisme overeen met het streven naar ‘eenheid’ en het vasthouden daaraan met ‘verdeeldheid’. Sinardets leraar logica moet nu zoals Cicero uitroepen: Oleum et operam perdidi! Het was alles voor niets! Mijn inspanningen leverden geen resultaat op! Want eenheid staat natuurlijk NIET tegenover verdeeldheid. Verdeeldheid staat tegenover eensgezindheid en een onafhankelijk Quebec kan in perfecte eensgezindheid samenwerken met een Engelstalig Canada. Eenheid, op zijn beurt, staat tegenover verscheidenheid. Met verscheidenheid is niets mis. Integendeel: zonder verscheidenheid is zoiets als democratie niet eens denkbaar.

Sinardet – ik voer hem hier op als het prototype van de Nieuwe Belgen – begrijpt niets van het grondstreven van het Vlaamse nationalisme en van het volksnationalisme in het algemeen. Nationalisten zoeken geen verdeeldheid, maar juist meer eensgezindheid. Die hopen ze te bereiken door de structurele wrijvingen onder volksgroepen weg te halen, door elke volksgroep verantwoordelijk te stellen voor haar eigen zaken. Ieder maakt zijn eigen rekening. Op die manier wordt de kans dat etnische spanningen de internationale samenwerking vergiftigen, aanzienlijk verkleind. Op het einde van de rit is er niet meer eenheid, maar wel meer eensgezindheid. En die werd bereikt door het erkennen en organiseren van verscheidenheid.

Moeilijk, niet?

Jaak Peeters