dinsdag 29 december 2009

Vlaamse subsidies voor Frankrijk

Onlangs werd aan een Vlaams hoogleraar een subsidie toegekend van, naar verluidt, 25 miljoen euro. Dat is een ongewoon hoog bedrag. Weinig Vlaamse hoogleraren zullen zich kunnen verheugen in het ontvangen van zo’n enorme som om hun onderzoek te spijzen.

De betrokken titularis had evenwel speciale adelbrieven: zijn onderzoek is gericht op energie, en dat is één van de stokpaardjes van de Vlaamse Regering.

Zonder afbreuk te willen doen van de verdiensten van de betrokken professor, noch kritiek te willen uiten op de redeneringen die de Vlaamse Regering heeft gevolgd bij het toekennen van deze subsidie, roept dit feit toch bijzonder scherpe vragen op.

Dat is met name het geval als men weet dat de betrokken titularis tegelijk voorzitter van Elia is. Dat is, zoals bekend, het distributiebedrijf dat elektriciteit tot binnen onze huiskamers brengt.
De vraag die meteen rijst is, of het moreel verantwoord was om een dergelijke enorme subsidie toe te kennen aan het energiedepartement van een hoogleraar, die zelf tot over de oren betrokken is bij de belangen van een bedrijf, dat energieleverantie als core heeft.

Subsidies zijn overheidsgeld, dit is: belastingsgeld dat door ons allen bij elkaar wordt gebracht. Van de Regering mag worden verwacht dat ze het zuurverdiende belastingsgeld besteedt tot nut van de hele gemeenschap. Misschien heeft de Regering dit probleem onderzocht en is ze ervan overtuigd dat ze een goede investering heeft gedaan. Dat is mogelijk, maar daar zouden we dan toch graag wat meer over vernemen.

Er is namelijk wat anders aan de hand. Zoals bekend is onze energiesector vrijwel geheel in handen van Parijs. Dat geldt niet minder voor de distributie, want distributie kan niet zonder productie en het is echt niet zo simpel om in één, twee, drie van leverancier te veranderen. We zitten dus vast in de Franse houdgreep. Frankrijk beslist over één van onze vitale economische sectoren: de energie.

Geen enkel land kan aanvaarden dat zijn vitale belangen in de handen van vreemde machten terecht komen. Wat men alvast moet vermijden, is deze vreemde machten dan nog onrechtstreeks te steunen, door subsidies uit de eigen pot zodanig toe te kennen, dat ze uiteindelijk in het voordeel van Frankrijk zijn.

Natuurlijk heeft de Vlaamse Regering weinig manoevreerruimte. Ze heeft de keuze tussen het onrechtstreeks subsidiëren van de Franse dominantie over ons land en het laten wegvloeien van intellectueel talent. Dat is een erg ongemakkelijke positie. Die wordt veroorzaakt tot de affiniteit van ‘onze Franstalige landgenoten’ met de Franse wereld. Voor hen komt alle licht uit Parijs en kan het toekennen van Vlaamse subsidies aan Franse bedrijven dat licht alleen maar harder doen schijnen. Ze draaien er dan ook hun hand niet voor om Vlamingen te voorzien van allerlei lieflijke predikaten, als die de rechtmatigheid van deze toestand betwisten. Wat meer is: collaboratie in de eigen, Vlaamse pers aarzelt niet de Vlaamse kritiek op deze toestand als anti-Europees te bestempelen. Dat is dan hét grootste succes van de Franse staatspolitiek na afloop van de Tweede Wereldoorlog: Parijs is erin geslaagd om zijn eigen nationale belangen te laten voorstellen als Europese belangen.

Vlaanderen zit dus hopeloos vast. Zeker zolang het niet bij machte is op eigen gelegenheid aan het Europese beslissingsproces deel te nemen. Maar zelfs àls Vlaanderen in die gelukkige omstandigheid zou terechtkomen, dan nog is de koek niet gebakken. Als de Europese belangen samenvallen met de Franse nationale belangen, maakt het weinig uit dat het kleine Vlaanderen mee aan de beslissingstafel zit: de Franse stem klinkt zoveel luider.

Daarom moet de Vlaamse Regering een nieuwe industriële politiek op lange termijn uitwerken. Daarop moet zij vervolgens haar subsidiebeleid afstemmen. Zo zien we meteen ook dat voormalig Minister-president Vandenbrande, de protagonist van een Vlaamse industriële verankeringspolitiek, overschot van gelijk had.

De taak van de Vlaamse Regering wordt zodoende klaar en duidelijk: zoveel autonomie veroveren binnen, of liefst nog: buiten België, dat de noodzakelijke verankeringspolitiek mogelijk wordt. Het wegslippen van hopen banen uit ons industriële weefsel maakt van deze taak inderdaad tot de hoofdopdracht van de Vlaamse Regering.
Er zijn al te veel kostbare jaren verloren gegaan.
Jaak Peeters

maandag 28 december 2009

Nodig in Vlaanderen, nuttig in Europa

Het begrip subsidiariteit is een moeilijk begrip. Dat blijkt uit het feit dat over het begrip tenminste twee betekenissen in circulatie zijn.

Ik begin met betekenis nummer één. Ze werd onlangs verwoord door Stijn Vandamme in Necessariis Diversitas. Daarin lijkt Vandamme zich aan te sluiten bij een strekking binnen de N-VA, voor dewelke subsidiariteit zoiets betekent als: “bevoegdheden worden beheerd op het niveau dat daarvoor het best geschikt is.”

Ik verwerp deze betekenis. Een beroep op deze betekenis van subsidiariteit lost namelijk niets op. Belgicisten houden immers vol dat hun politieke constructie het meest geschikte niveau is. Er is een extern criterium nodig.

Vandamme, en met hem een aantal mensen binnen de N-VA, menen dat criterium te kunnen vinden in de afweging van schaalvoordelen versus heterogeniteitskosten. Op het snijpunt van deze twee krommen doet zich de omslag voor in de één of andere richting. Als de heterogeniteitskosten te hoog worden ten aanzien van de schaalvoordelen, is het beter de bestaande politieke structuur te splitsen, i.c. de Belgische staat.

Die redenering lijkt heel logisch en schept helderheid, maar ze wekt helemaal geen vertrouwen. Zeker niet in tijden waarin duidelijk gebleken is hoe zwak economische berekeningen en analyses zijn, als het aankomt op het onderbouwen van oplossingen voor dubbelzinnige en verwarde toestanden. In het Belgische geval komt daar nog eens bovenop dat de waardering van wat men een heterogeniteitskost noemt, sterk afhankelijk is van de politieke voorkeur van de beslisser. Als je overtuigd belgicist bent, dan hecht je gewoon nauwelijks belang aan de verschillen in mentaliteit of cultuur tussen Vlaanderen en Wallonië.

De tweede betekenis is mijn inziens veel fundamenteler. Ze onttrekt zich aan betwistbare economische overwegingen van nut en onnut. Ze grijpt recht naar de kern van de democratie: de vrijheid van de individuele burger. Enkele etymologische stapjes zetten meteen de toon. ‘subsidiair’ is: “wat in de plaats komt van iets anders”. Dit is ook de betekenis die aansluit bij de Latijnse basisvorm: “subsidium” – wat zoiets betekent als “reserve”.[i]

“Subsidiariteit” in politieke zin betekent dat een politieke structuur zichzelf in reserve houdt. Zelf blijft hij op de achtergrond – totdat zijn optreden noodzakelijk wordt. Dat betekent dat er een eerste lijn is, die ook geacht wordt het eerst op te treden. Welnu: ook Vandamme haalt Plato aan, voor wie de ideale staat niet zo groot mag zijn, dat burgers elkaar niet langer persoonlijk kunnen kennen. Ik laat Plato’s opvatting voor wat ze is, want ze is sowieso gedateerd. Maar de grondgedachte is, dunkt me, wél actueel: niemand kan de burger het principiële recht op zelfbeschikking ontzeggen. Over dit grondprincipe gaat een groot deel van de discussies in de hedendaagse politieke filosofie. Misschien is ze zelfs hét hoofdthema van onze hedendaagse staat, waarin te allen kante wordt gemanipuleerd. Ze vormt de hoofdbekommernis van lieden die, zoals ondergetekende, bezorgd zijn over de toekomst van onze democratie.

Als de burger het onvervreemdbare recht bezit te beslissen over zijn eigen lot, dan volgt daaruit dat die beslissingsniveaus, die het dichtst bij de burger aansluiten het hoogst in rang zijn en bovengeschikt aan alle andere. Het komt er dan niet op aan te bepalen – als dat zou lukken – welk niveau ‘het meest geschikt’ is om bevoegdheden uit te oefenen. De bevoegdheden moeten altijd zo dicht mogelijk uitgeoefend worden bij de burger.

Ongewild en wellicht ook ongeweten speelt de Belgische staatsstructuur ons dit criterium zelf in handen. Hij maakt immers zelf een essentieel onderscheid door het beginsel van de persoonsgebonden materies in te voeren.

Deze laatste sluiten vanzelfsprekend aan bij de zelfbeschikkende burger, want ze gaan hem per definitie het meeste aan. Aangezien de afstand tussen het multinationale België en de individuele burger groter is dan die tussen Vlaanderen en diezelfde burger, komt Vlaanderen vanuit een democratisch standpunt vòòr België. En de andere materies, de “niet-persoonsgebonden” kwesties? Die blijken inderdààd het voorwerp van schaalvoordelen te zijn.

Eidoch: ook mijn partij is in dat opzicht niet altijd even consequent. Het lijdt geen twijfel dat Europa schaalvoordelen biedt die België niet bezit. Doch de grote problemen van onze dagen vragen inderdaad steeds meer om een mundiale aanpak. Een simpele verwijzing naar de conferentie van Kopenhagen, eerder deze maand, volstaat. Dat betekent dat zolang Europa niet kan bewijzen dat het een eigen, kwalitatief onderscheiden positie inneemt, er geen criterium bestaat om de Europese bevoegdheden niet meteen mundiaal uit te oefenen. Het komt me dus voor dat de efficiëntie-overwegingen die onder meer door Vandamme worden aangevoerd, vooral van toepassing zijn om te bepalen of beslissingen Europees dan wel mundiaal moeten worden genomen. Europa is dan niet meer dan een wachtkamer voor een effectieve VN.
“Kwalitatief” zou in dit verband verwijzen naar de identiteit van de burgers in Europa, en op die grond geassocieerd kunnen worden met hun democratische zelfbeschikkingsrecht, dit is: als Europese burger, die zich intrinsiek van de burgers van andere politieke structuren onderscheidt. Daardoor zou Europa, voor een aantal materies, nààst Vlaanderen staan.
Echter: ik ben bang dat de elites van Europa door de integratie van de Islam dit kwalitatieve criterium hebben verspeeld.

[i] Van Dale, Etymologisch woordenboek.

Jaak Peeters

donderdag 24 december 2009

Er zijn nog argumenten…

Op zijn webstek ‘Vlaamse conservatieven’ bestrijdt Matthias Storme de door belgicisten verkondigde stelling dat de diversiteit binnen België, die voor Vlaamse nationalisten het argument is voor het oprichten van een Vlaamse Staat, ook zou gelden binnen Vlaanderen. Limburgers verschillen toch ook van Antwerpenaren of van Gentenaars? Onderverstaan: laat België maar bestaan, want het maakt toch niets uit.

Storme verdedigt het recht van Vlaanderen om zijn eigen weg te gaan met een beroep op het subsidiariteitsbeginsel. De toepassing hiervan haalt namelijk de angel een flink stuk uit de discussies, omdat er voldoende uitwijkmogelijkheden beschikbaar zijn. Wie zich door het Vlaamse cryptofascisme bedreigd voelt, kan gelijk naar Wallonië uitwijken. Niemand die hem tegenhoudt. Bovendien stelt Storme terecht dat het onderdrukken van diversiteit noodzakelijk tot centralisme en centralistisch geweld leidt. Quid Europa?

Stormes argumentatie is correct, maar er bestaan wel meer methoden om de belgicistische stelling onderuit te halen.

Ten eerste: het maakt wel degelijk wat uit! Om het droog en nogal kort door de bocht te zeggen: als Vlaanderen met 60 % van de bevolking 70% van de Belgische welvaart genereert, wordt er in Wallonië welvaart vernietigd. Zelfs wie kosmopolitisch is ingesteld moet bij deze constatering steigeren. Vernietigde welvaart kan niet meer gebruikt worden om aan ontwikkelingshulp te doen.

Ten tweede: de punten of onderwerpen die de verschillen tussen Vlamingen en Franstaligen definiëren zijn er àndere dan die de Vlamingen onderling doen verschillen. Franstaligen zijn onderling verdeeld over de kwestie van de kruisbeelden en Vlamingen zijn dat ook. Maar dat is geen reden om de twee in één pot de werpen, de mixer erin te houden en vervolgens triomfantelijk de verklaren dat het allemaal om het even is. Het zou best wel eens kunnen wezen dat de Vlamingen significant minder bezwaar hebben tegen de aanwezigheid van kruisbeelden dan Franstaligen. Deze veronderstelling is zelfs heel redelijk: er vallen vanuit de geschiedenis argumenten voor aan te voeren. Vlamingen en Franstaligen verschillen dus van elkaar op tal van punten, en dit op een significante manier- en dit alles heus niet alleen omdat ze een andere taal spreken. Wat is dat voor een redeneerwijze die dit soort onderscheidingen wegmoffelt?

Ten derde: Belgicisten zijn eigenlijk racisten. Eigenlijk overtreden ze de regels van de mensenrechten. Althans naar de geest. Ze ontzeggen de Vlamingen het recht op een eigen collectieve identiteit, die afwijkend is van deze van Franstaligen. Ze voeren daar geen argumenten voor aan. Ze verklaren botweg dat dit onderscheid in identiteit niet bestaat. Dat, en niets anders, moet worden afgeleid uit de stelling dat de verschillen tussen de ‘Belgen’ niet relevanter zijn dan die tussen Vlamingen onderling.

Het is weinig zinvol om een reeks sociologische kenmerken op te sommen, om toch maar krampachtig te willen bewijzen hoezeer Vlamingen en Franstaligen verschillen. Vlamingen zijn spaarzamer en Franstaligen zijn spilzieker. Nou: als IK Franstalige zou zijn, zou ik hierop ook reageren. Sociologie biedt hier geen goede aanpak, dunkt me. Hou operationaliseer je dit soort kenmerken, bijvoorbeeld? Zulke dingen vormen niet de essentie van wat men identiteit noemt.

Identiteit heeft op de eerste plaats te maken met de manier waarop mensen in de wereld staan. Of nog: met de manier waarop ze aan de dingen rondom hen én aan zichzelf betekenis toekennen. Welnu: het simpele feit van een afwijkend geïnterpreteerde geschiedenis leidt tot een andere betekenisconstructie. Je kunt per sé willen volhouden dat eeuwen bezetting er echt niet toe doen. De kwestie is dat maar weinigen je hierbij zullen volgen en dat je daarbij, naar alle waarschijnlijkheid, het gelijk ook niet aan je kant hebt. Bezettingen doen er wél toe. Aangezien de bezettingen in Vlaanderen duidelijk anders werden ervaren dan door Franstaligen, is het ontstaan van van elkaar onderscheiden betekenisconstructies onvermijdelijk.

Daar is niets mis mee, tenzij je ze wil ontkennen. Dan zijn zogeheten extreem-rechtse reacties jouw deel. Zoals de belgicisten tot hun grote ongenoegen merken.
Jaak Peeters

zondag 13 december 2009

Oneerlijkheid

Darwins boek over het onstaan van de soorten werd voor het eerst in 1859 gepubliceerd. De laatste versie van het boek dateert van 1872 en bevat de opmerkingen en antwoorden van Darwin op ontwikkelingen en commentaren sinds het verschijnen van de eerste versie. Het is vreemd, maar telkens ik Darwins naam met de evolutietheorie hoor associëren, wringt er bij mij iets.

Er zijn twee dingen. Het eerste werd onlangs nog door Gerard Bodifée aangedragen: de evolutietheorie is slechts een theorie, geen feit. Ze is zoals elke wetenschappelijke theorie: slechts een voorlopige hypothese. Zo gaat dat in de wetenschap. Eerst was er Newton en Maxwell. Vervolgens kwam Einstein en de speciale en algemene relativiteitstheorie, weldra, in de jaren dertig van vorige eeuw, gevolgd door de quantumtheorie. Na de Tweede Wereldoorlog verscheen de snarentheorie, daarna de supersnarentheorie en inmiddels zijn we al aan de M-theorie.

Darwins boek is één lange discussie met zijn tijdgenoten—zoals zoveel boeken discussies bevatten of gewoon zijn. De wetenschappelijke wereld werd in die jaren verdeeld tussen lieden die meenden dat de biologische soorten op zich onveranderlijk zijn en daarom als zodanig geschapen en, aan de andere kant, mensen die wél overal verandering en modificatie zagen en daarom de soorten zagen evolueren.

Van de 520 tekstbladzijden (Nederlandse vertaling) handelen er 450 over Darwins grondstelling: het overleven van de best toegeruste individuen en, omgekeerd, de extinctie van de slechtst toegeruste groepen. Slechts op bladzijde 451 verschijnt voor het eerst de gedachte dat àlle soorten zouden kunnen afstammen van één enkele oervorm.

Vier keer brengt Darwin deze laatste gedachte, die hij nergens echt tot de zijne maakt, maar voorstelt als een suggestie: “als we eens… dan…”. Darwin verwerpt nergens de gedachte dat deze oervorm zijn oorsprong vindt bij een Schepper.
Wel toont hij sympathie voor de idee van de afstamming uit één oervorm: volgens hem zou dit betekenen dat de soorten in toenemende mate verfijnen en dus veredeld worden. Bovendien zou zulks het bewijs vormen dat de wereld niet onderhevig is aan periodieke catastrofen, hetgeen de hoop op een betere toekomst wettigt.
Darwin toont zich de hele tijd een voorzichtig, goedbemeten schrijver. Slechts op één plaats, helemaal op het eind van zijn werk, valt hij even uit zijn rol.
Nergens, maar dan ook nergens, stelt Darwin zijn theorie voor als een feit. Integendeel: heel consequent blijft hij spreken over “mijn theorie”, 520 bladzij lang.

Dat brengt me bij mijn tweede punt. Zowel voor- als tegenstanders van de evolutietheorie doen Darwin erg onrecht aan door hun eigen opvattingen als feiten voor te stellen. Het is zoals in de politiek: de woorden van de tegenstander verdraaien of verzwijgen. Dat is geen eerlijk spel. Ik verdenk vele discutanten er openlijk van zelf het boek van Darwin niet eens gelezen te hebben.

Tegenover de creationisten stel ik dat Darwin op verschillende plaatsen ten gronde ingaat op de kritiek die zij vandaag telkens weer formuleren. Darwin geeft heel plausibele antwoorden. Zo legt hij bijvoorbeeld heel goed uit dat het idee dat er gescheiden, aparte diersoorten bestaan, voornamelijk aan menselijk gezichtsbedrog te wijten is. Want in werkelijkheid zijn àlle soorten overgangsvormen: er zijn er geen andere! Nochtans is dat nu net één van de grote bezwaren van de voorstanders van het creationisme. Waarom dan telkens weer opnieuw vragen naar wat al zo vaak werd uitgelegd?

Tegenover de evolutiefundamentalisten stel ik dat Darwin nooit een boek over “De Evolutietheorie” heeft geschreven, maar die algemene evolutie slechts als suggestie opvoert. Bovendien staat Darwins tekst op geen enkele manier de interpretatie toe, als zou Darwin gepretendeerd hebben de ultieme waarheid te willen verkondigen. Wat meer is: voor- noch tegenstanders van een vorm van Intelligent Design kunnen bij Darwin argumenten vinden. Die gedachte zit gewoon niet in het boek.

In de beide gevallen is de verdraaiing van de feiten zo manifest, dat het moeilijk wordt om het woord onoprechtheid niet in de mond te nemen.
Jaak Peeters

vrijdag 11 december 2009

Schuldig verzuim

Volkvertegenwoordiger Sarah Smeyers (N-VA) bond de kat de bel aan: van de "dakloze" nieuwe asielzoekers moeten er niet minder dan 88% in Vlaanderen worden geplaatst. In het arrondissement Turnhout (420.000 inwoners) zouden er zodoende 684 moeten worden geplaatst. In Waals-Brabant, de rijkste provincie van dit land, welgeteld 161. De exacte cijfers doen er niet toe. Het gaat erom de schrijnende onrechtvaardigheid van de immigratiepolitiek die in dit land gevoerd wordt, aan te klagen.

De regeringen van de staat België zijn schuldig. Schuldig zonder enige aanwezigheid van verzachtende omstandigheden. Zo schuldig als een regering maar zijn kan. Zij, en niemand anders, zijn ervoor verantwoordelijk dat dit nu al overbevolkte, cultureel en politiek labiele land in de halve wereld als een gemakkelijk immigratieland wordt beschouwd, waar je je slechts als sukkelaar hoeft voor te doen om meteen van een leven te kunnen genieten waar een bewoner van een gemiddeld ontwikkelingsland alleen maar van kan dromen.

Wat erger is: de Belgische immigratiewetten zijn zo bespottelijk laks, dat elke inspanning om immigranten ertoe te brengen enige inspanning te leveren om zich in de nieuwe gemeenschap te integreren op voorhand geen enkele kans maakt.

Het kan helemaal anders. Ik herinner me een koppel Antwerpenaars, man en vrouw—dat moet je er tegenwoordig aan toevoegen—, die besloten te emigreren naar Zweden. Ze hadden in dat enorme land een landhuisje gekocht, in de heuvels op zo’n 60 kilometer van de hoofdstad Stockholm. Twintig huizen telde het dorpje waar ze gingen wonen. Er was maar één straat en de huizen droegen geen nummer, want elke postbode wist precies welke familie in welk huis woonde. Ik herinner me eveneens nog heel levendig dat beide Antwerpenaren, man én vrouw, Zweeds spraken vooraleer ze uit Antwerpen vertrokken. Oh ja: niet echt vloeiend, maar ook mevrouw sprak voldoende Zweeds om met de buurvrouw in haar nieuwe vaderland een praatje te slaan. Ik heb het koppel nadien nog enkele keren terug gezien, als ze naar Antwerpen kwamen afgezakt om hun kinderen te bezoeken. Ze bleken al helemaal geïntegreerd in hun nieuwe omgeving: bij zowat alle buren waren ze al op de koffie geweest en het omgekeerde procédé waren ze volop aan het afwerken.

Niemand heeft die mensen ooit geholpen om te integreren, geen enkele ambtenaar of particulier. De officiële plichtplegingen in Zweden werden op een drafje afgehandeld. In het Zweeds, waarna de ambtenaar van de burgerlijke stand nieuwsgierig begon te vragen naar de culinaire geneugten van Antwerpen.
Het verschil met de toestanden in dat land dat zich nog recentelijk een gidsland wilde noemen, is immens. Je kunt hier zelfs niet door de straten van een kleine provinciestad lopen, zonder her en der Arabisch te horen. Of Turks, of Armeens, of, tegenwoordig: Swahili of Lingala. Ik heb het onlangs zelf beleefd: een jong, Noord-Afrikaans uitziend koppeltje, westers gekleed, gemanierd en fatsoenlijk en wel. Onder elkaar: Arabisch.

Wat een verschil met het Antwerpse koppel! Integratie moet je willen. En je wil integreren , omdat je respect hebt voor de gemeenschap waar je terecht komt. Omdat je het eerlijk meent met je nieuwe gemeenschap. En omdat je best weet, dat in de wereld de liefde niet van één kant kan blijven komen. Als de overheid een handje helpt om het integreren te vergemakkelijken, is dat mooi meegenomen. Natuurlijk is dat zo. Doch het voorbeeld van het Antwerpse koppel illustreert dat geen enkele overheidsmaatregel ooit bij machte kan zijn om de integratiewil van de betrokkenen zelf over te nemen.

Men vraagt zich af welke kleuterachtige intelligentie ooit bedacht heeft dat een betuttelende overheid deze menselijke plicht kan uitvoeren in de plaats van de betrokkenen zelf. Maar voor wie wat scherper toekijkt, wordt de zaak nog pijnlijker. De extreem-soepele immigratiewetgeving is er gekomen onder druk van de Franstalige minderheid in dit land. Dezelfde minderheid die het vertikt de Franstalige immigranten in Vlaanderen aan te sporen de taalwetten na te leven en zich in de gemeenschap van de Vlamingen te integreren. Integendeel: die Franstalige regeringspartijen verlenen steun aan diegenen die niet willen integreren, want ze eisen zelfs Vlaamse territoriale amputaties.

Uiteraard zal iemand die zo tewerk gaat er zeker niet toe komen aan kandidaat-immigranten op te leggen dat ze de taal moeten kennen vooraleer ze naar Vlaanderen resp. Wallonië komen. Daarmee zouden ze zichzelf immers hopeloos vastrijden in een onoplosbare tegenspraak.

Maar dan rijst vanzelfsprekend torenhoog de vraag naar de verantwoordelijkheid van de Vlaamse regeringspartijen. Zij zwegen, hoewel de simpele waarheden die hiervoor werden beschreven ook hen bekend waren. Hoe noemt men zoiets? Ha ja: schuldig verzuim.

Jaak Peeters

zaterdag 28 november 2009

Het land van de waanzin

Burgemeester Somers heeft bekend gemaakt dat zijn stad, Mechelen, een centrum wil oprichten waar vrouwen hun kind kunnen laten aborteren. Is het nu al de taak van een stedelijke of gemeentelijke overheid om vrouwen bij te staan bij het “wegwerken” van hun ongeboren kind?

Men kan begrijpen dat een stedelijke overheid haar burgers bijspringt wanneer die in nood komen. Bijvoorbeeld bij ziekte of ongeval. Hoewel: voor die gevallen bestaan er al langer georganiseerde hulpsystemen. Maar goed, in elk net zijn er te grote mazen. Men is dan ook geneigd om een gemeentebestuur alvast de opdracht toe te schrijven om haar hulpbehoevende gemeentenaren uit de penarie te helpen. Het OCMW werd niets voor niets uitgevonden. Per slot van rekening is een gemeentebestuur die overheid, die het dichtst bij de bevolking is geplaatst. Als er dus één overheid is, die in de mogelijkheid is om de onvermijdelijke mazen van het net nauwer te sluiten, dan is het de gemeentelijke. Dat is ipso facto het geval wanneer het om problemen gaat, die de sfeer van de intimiteit beter niet te ver te buiten gaan. Een gemeentelijke overheid kent de situatie of is in ieder geval in staat om die ter plekke te pakken te krijgen.

Dit soort optreden, dunkt me, is evenwel altijd positief bedoeld. De doelstelling is altijd om het leven beter mogelijk te maken en in sommige gevallen gewoon zelfs gewoon maar mogelijk te maken.

Maar nu zien we een stadsoverheid optreden om het leven ONmogelijk te maken. Volstrekt luguber is zulks, en men vraagt zich af of stadsbestuurders nog wel goed bij hun hoofd zijn om zoiets akeligs te kunnen bedenken.

Oh ja: men staat jonge vrouwen bij. Want de meeste abortussen -- de krant schreef het deze week nog -– worden gepleegd door jonge vrouwen tussen de 17 en de 24. Vele abortussen gebeuren in erbarmelijke medische omstandigheden, omdat de plegers zich niet te schande willen zetten. Dus valt er op het eerste gezicht wel iets te zeggen voor het initiatief van een stadsbestuur dat in het nauw zittende vrouwen in de mogelijkheid wil stellen om hun daad tenminste in medisch verantwoorde omstandigheid te verrichten.

Maar dat alles is wel een omgekeerde wereld. Want een stadsbestuur zou ook ten strijde kunnen trekken tegen die taboes, die de schande oproepen. Dat zou pas vrij-denken wezen. Het is een wereld bovendien, waarin stadsbestuurders kennelijk geen last hebben van enige behoefte tot kritisch nadenken, al pakken ze zelf te pas en te onpas met die kwaliteit uit. Want àls het juist is dat een stedelijke of gemeentelijke overheid bij machte is om zo dicht bij de bevolking te staan, dat ze ook een redelijk idee heeft van de intieme noden van die bevolking, waarom speelt ze dan daar niet op een positieve manier op in? De stad zou jonge vrouwen op het einde van hun zwangerschap kunnen opvangen, ze vrijwaren voor de schande en vervolgens de kindjes aan adoptieouders kunnen helpen. Nu moeten adoptieouders vaak een jaar of langer wachten vooraleer ze een kind kunnen adopteren. Vaak lukt het gewoon nooit en gaan ze in China of Ghana op zoek naar een wildvreemd kind.

Somers en zijn geestesgenoten moeten toch zelf ook weten dat het adopteren van een kind heus geen zaak is van ‘één en één is twee’? Wie een kind adopteert, adopteert meteen ook een stuk van de levensgeschiedenis van zijn ouders. Een geadopteerd kind is geen onbeschreven blad. Ouders die volwassen geadopteerde kinderen hebben weten daar best over mee te praten. Derhalve is het van groot belang de levenssituatie van de moeder in het hele adoptieonderzoek mee te nemen. En laat nu net die gemeentelijke overheid het best geplaatst zijn om die levenssituatie te beoordelen.

Overigens vraagt men zich af waar het met dit land naartoe moet. Mechelen heeft zowat 80.000 inwoners. Dat is één tachtigste van het totale Vlaamse bevolkingstal. Als de stadsbestuurders van Mechelen gelijk hebben, dan zouden er in Vlaanderen zowat 80 abortuscentra moeten komen. Tachtig centra waar op een medisch verantwoorde manier kinderen van eigen volk omgebracht worden. In welke macabere wereld komen we terecht? Laten we het Vlaamse leeuwensymbool maar meteen door een doodshoofd vervangen. Vlamingen: de grootste griezels van de wereld?

Dit lijkt steeds meer op een ijzingwekkende heruitgave van de vernietigingskampen van het Naziregime. Alleen: Hitler heeft er nooit zovéél gehad. Maar in Vlaanderen: daar liggen de vernietigingscentra overal verspreid. Open en bloot, zij het zonder rokende schouwen. Ja, toch?

Intussen worden honderdduizenden illegalen geregulariseerd. Die hebben nota bene de wet overtreden. Ook in dit opzicht dringt zich de gedachte op aan een wansmakelijke overeenkomst met de gezellen van Hitler. Het lijkt allemaal beangstigend veel op een bewuste actie om een etnische wisseling tot stand te brengen. Als vorm van racisme kan dat tellen.

En als het dat niet is, als de partijgangers van deze wereld toch niet zo grondig nadenken als ze soms voorwenden, dan betreft het hier in ieder geval een geval van acute waanzin.

Jaak Peeters

vrijdag 20 november 2009

De natiestaat genaamd EU

De aanstelling van de Belgische premier Van Rompuy tot permanent voorzitter van de Europese raad is een nieuwe stap op de weg naar de vorming van een Europese superstaat. De stappen die nu nog moeten volgen vallen perfect te voorspellen: de Europese commissie wordt omgevormd tot een regering, waarbij de verhouding met het Europees parlement wordt herschikt. De huidige commissievoorzitter wordt premier. Een minister van “buitenlandse zaken” is er inmiddels overigens ook al. De Europese raad zelf wordt omgevormd tot een adviesraad voor de straks verkozen Europese president. Nadien alle legers nog onder één commando brengen, en klaar is kees.
Wat daarna gaat komen -– voor zover het niet al bezig is -– is veel minder zichtbaar, doch veel belangrijker.

Het gaat erom dat nu ook alles in het werk zal worden gesteld om een Europese natie op te wekken. Opwekken, want ze bestaat niet. Die natie zal de oude naties in Europa vervangen of tenminste insluiten en overschrijden. Want zonder een natie is een staat geen lang leven beschoren, afhankelijk als hij is van de existentie van de elites die hem in het leven hebben geroepen.

Zo’n Europees nationaal gevoel berust op sterke gronden. Een Europese natie wekt door haar omvang bij velen een veiligheidsgevoel op. Wat groot is, wekt de indruk veiligheid te verschaffen. Dat is illusoir natuurlijk, maar het werkt wel. Ten tweede geeft Europa de indruk een geografische eenheid te vormen, die als een apart geheel van andere eenheden is afgescheiden. In werkelijkheid is Europa slechts een schiereiland van het Euraziatische continent, van Afrika door slechts twee smalle zeestraten gescheiden. Dieper ligt de idee van een geestelijke Europese eenheid. Die berust op de perceptie van een gedeelde christelijke erfenis. Want ondanks alle godsdienstoorlogen zit toch hetzelfde geloof in dezelfde God in de Europese genen. De EU van onze dagen lijkt dan nog het meest op een Karolingisch rijk, dat het aardse verlengstuk van de door de Paus geleide geestelijke orde wilde zijn. Deze idee wordt sterk gecontesteerd door de aanwezigheid van miljoenen Islamieten op Europese bodem.

Een sterk gegeven is ook dat de Europese Unie er naar buitenuit kan op bogen in vrede te zijn ontstaan, in tegenstelling tot al haar voorgangers, die slechts het product van militair geweld waren. Daarom kan dit Europa de illusie opwekken dat het een project van een totaal andere orde is en de hoop doen gloren dat de Europese mens de periode van de oorlogen voorgoed achter zich heeft gelaten. Waarbij voor het gemak vergeten wordt dat precies de Tweede Wereldoorlog het huidige Europese project heeft mogelijk gemaakt. En waarbij vooral wordt vergeten, dat de burgers nooit de kans hebben gekregen om over het principe van een Europese staat uitdrukkelijk te stemmen. Meer zelfs: de Europese protagonisten hebben nooit open kaart gespeeld en openlijk gezegd dat het hun bedoeling was de oude staten door een Europese te vervangen -– op iemand als Mark Eyskens wellicht uitgezonderd. Met andere woorden: de EU is er weliswaar zonder oorlog gekomen -- als gevolg overigens van de zwakheid van de oude rivalen -- , maar niet zonder bedrog.

Doch zoals altijd schuilt er ook nu weer een adder onder het gras. Meer zelfs: alles laat vermoeden dat deze adder de omvang heeft van een flink uit de kluiten gewassen anaconda. Want een Europees nationaal gevoel, dat de onvermijdelijke keerzijde is van een Europese natie, komt zonder enige twijfel in directe concurrentie met de bestaande naties. Nationaal gevoel bestààt er in Europa namelijk al en het is zelfs wijdverbreid. Op het bord liggen dus twee clusters van nationaal gevoel. Het Belgische voorbeeld leert wat er te gebeuren staat: beide clusters zullen met elkaar de strijd aanbinden om de dominantie. Daarbij zullen alle wapens uit de kast worden gehaald, van mythologie tot brutaal geldelijk belang. De Europese natie zal verkondigen dat ze algemener, inclusiever, dieper en ouder is dan klassieke nationale gevoelens en daarom de betere adelbrieven bezit, precies zoals het Belgisch nationaal gevoel dat altijd tegenover het Vlaamse nationalisme heeft gedaan.
Dat de stichting van de Europese superstaat met bijhorende Europese natie het einde inluidt van het zo vaak verfoeide nationalisme -– zoals vele eurocraten dromen -- is dus verre van zeker, want veeleer een versterking van de nationalistische spanningen valt te verwachten.

Op dezelfde manier als Vlamingen er allesbehalve gelukkig om zijn dat hun energiebeleid in Parijs wordt gevoerd, zullen de oude gemeenschappen telkens weer ressentiment ontwikkelen omdat zij het gevoel krijgen dat hun zeer ruim opgevatte belangen binnen de Europese ruimte niet in goede handen zijn en dat zij de greep op hun eigen lot verliezen. Want als het aankomt op de veiligheid van lijf en leden en het eigen bezit, grijpt een mens naar wat hem overzichtelijk lijkt en bekend voorkomt. Europa is daar veel te groot voor en veel te verscheiden om op een intieme manier tot het eigene te kunnen worden gerekend.

Jaak Peeters

zaterdag 14 november 2009

Een niet ingeloste belofte en een gevaarlijke gek

Wat doe je, als je een dergelijk boek gelezen hebt? Dan pak je een ander boek vast, dat zich – althans volgens de titel – daar volkomen tegenover plaatst. Dit is het dus:“Hoe komen we van religie af?”,van Floris van den Berg. Kent u hem niet? Geen nood: U mist er niets mee. De man stelt zich voor als een liberaal. Ik zal, naar ik hoop, snel duidelijk maken dat die man geen liberaal is, maar een gevaarlijke gek.

[lees het volledige artikel]

Jaak Peeters

vrijdag 13 november 2009

Emancipatie herbekeken

Er is in het maatschappelijk debat nogal wat te doen over wat genoemd wordt: ‘emancipatie’. Het woord komt voort van het Latijnse emancipare, hetgeen bij de Romeinen stond voor het officiële proces waarbij de zoon uit de vaderlijke macht werd ontslagen. De zoon werd daardoor zélf pater familiae. Als dan zijn eigen zoon later op de gepaste leeftijd zou zijn gekomen en de geschiktheden zou verworven hebben, kon hij die op zijn beurt ‘emanciperen’.

Emancipatie had bij de Romeinen dus een duidelijke maatschappelijke betekenis en er bestond ook een juridische omkadering voor. Het was een soort officiële meerderjarigheidsverklaring. Emanciperen was iets wat je onderging, al kon je je erop voorbereiden. Door te studeren, bijvoorbeeld.

In die betekenis is het begrip velen in onze dagen evenwel niet bekend. Wie over ‘emancipatie’ spreekt, bedoelt het streven naar gelijkberechtiging, naar evenwaardigheid, naar zelfstandigheid en eerlijke maatschappelijke verhoudingen, een streven dat uitgaat van diegene die zichzelf wenst te emanciperen. Zo staat het uitdrukkelijk in Wikipedia. Bij de Romeinen had het begrip dus een veel specifiekere betekenis, want het was een begrip binnenin de familieverhoudingen.

De betekenis die het begrip emancipatie in het algemene debat vandaag heeft, kan evenwel aan ernstige kritiek worden onderworpen.

[lees het volledige artikel]
Jaak Peeters

Is de Vlaming onverschillig?

De hedendaagse Vlaming is een hypocriete, vaak drammerige figuur, wiens existentie doortrokken is van gevoelens van onmacht en gevaar, hetgeen uiteraard meestal samengaat. Daar zijn redenen te over voor: dit is geen diskwalificatie van een volk dat weinig historische meevallers heeft gekend en niettemin toch de moeilijke tijden van vandaag mee moet doorstaan. De foertstemmen die in Vlaanderen zo rijkelijk worden uitgebracht zijn dus geen teken van antipolitiek – wat die curieuze term ook moge betekenen. Ze zijn het bewijs van een getormenteerde collectieve ziel, een tormentering die voor schrijver dezes nu net de hoofdreden vormt waarom dit volk zonodig voor enige tijd in een onafhankelijke staat moet kunnen leven. De Vlaming is een bangerik en dat moet hij nodig afleren.

[lees het volledige artikel]
Jaak Peeters

vrijdag 23 oktober 2009

Het gaat om efficiëntie, dwaas!

De verschijning van Maddens’ boek, "Omfloerst separatisme", heeft nog eens de aandacht getrokken op een oud teer punt in de discussies over de staatkundige ontwikkeling van Vlaanderen. Lange tijd deden spraakmakende journalisten à la Reynebau c.s. en hun meer academische geestesgenoten namelijk nogal meewarig over het romantische gedoe van het Vlaamse nationalisme. Vendelzwaaien en zo, weet U wel? België, beste man: dat is het bewijs van het menselijk vermogen tot rationeel samenleven! Is de Belgische staat niet het bewijs bij uitstek dat moderne verlichte mensen in staat zijn de duistere tribale achterlijkheden van het nationalisme achter zich te laten? Moderne verlichte mensen sluiten zich immers aaneen op grond van hun even verlicht burgerschap. Meester Renan heeft het ons toch geleerd? Nationalisme, racisme en dit soort fraaie besognes zijn relicten uit het verleden. Men houdt er best geen rekening mee, of beter nog: men tracht ze uit te roeien. Men past de lesprogramma’s in de scholen aan en wijdt zich aan de edele taak van de volksopvoeding via de media. En men voort een Gedankenpolizei in, al blijkt het succes daarvan nogal betwistbaar.

Maddens brengt evenwel – en passant – een heel andere boodschap. Niet alleen verklaart hij dat het Belgische nationalisme veel gevaarlijker is dan het Vlaamse, waarmee hij stelt dat er dus ook een Belgische vorm van nationalisme bestaat. Daarmee rijzen er vragen aan het adres van de belgofiele disputeerders over het rationele karakter van het Belgische staatsverband. Wie daar scheel naar kijkt en er overheen wil zien, kan echter een andere uitspraak van Maddens zeker niet naast zich leggen: de Belgische overheid doet er alles aan om bij de bevolking een Belgisch gevoel aan te kweken. Een Belgisch gevoel! Tiens, het Belgisch samenleven kan dus niet zonder een dosis gevoel. Een dosis die zonodig moet verhoogd worden en dus op het moment niet hoog genoeg is. Het angstvallig volgehouden geloof in het rationele karakter van de Belgische samenleving dreigt hiermee wel helemaal onderuit te worden gehaald. Want als de Belgische overheid in een tijd van pecuniaire schaarste stapels kostbaar geld besteedt om de bevolking ‘nationale sentimenten’ aan te praten, dan wordt daarmee aangetoond dat België zonder die opgeklopte emoties niet kan blijven voortbestaan. Goed om weten!

Meteen kijkt men dan naar de leidende Vlaamsnationale club van het ogenblik, aangevoerd door De Wever en Co. Opvallend is dat De Wever en zijn vrienden het helemaal niet hebben over Vlaamse al dan niet romantische sentimenten. Hun discours is doorspekt met en gebouwd op een heel ander kernwoord: de efficiëntie. De hedendaagse Vlaamse nationalist ijvert niet voor een onafhankelijk Vlaanderen uit romantische sentimentaliteit, maar vanuit efficiëntieoverwegingen. Zelfs Dave Sinardet heeft het opgemerkt, en die man kan men bezwaarlijk van overdreven vlaamsgezindheid verdenken.

Daarmee zijn sentimentaliteit en verlicht rationalisme ongemerkt van kamp veranderd. Waar voorheen de belgicisten aanspraak maakten op een rationele benadering van de staatkunde, blijken het nu de Vlaamse nationalisten te zijn die zich op rationele overwegingen beroepen om hun staatkundige doelstellingen te grondvesten. Tegelijk voelen de belgicisten zich kennelijk verplicht een beroep te doen op hetzelfde soort sentimentaliteit, die zij voorheen in het Vlaamse nationalisme tot voorwerp van hun spot meenden te moeten nemen.

Bovendien staat het discours van De Wever en zijn vrienden behoorlijk stevig op poten. Men predikt de staatshervorming – die met België op de achtergrond weinig anders kan zijn dan Vlaamse staatsvorming – om in de gelegenheid te zijn efficiënt te besturen. Want met België lukt dat niet meer, als het ooit al gelukt is. Maar omgekeerd klopt het Weveriaanse verhaal ook. Wie efficiënt bestuurt, verwijdert zich van België en komt uit bij een Vlaamse staatstructuur.

Waar De Wever zijn mosterd heeft gehaald, is niet meteen geweten, maar het zou best wel eens Vaclav Havel kunnen wezen. Die heeft, vele jaren geleden al, toch verklaard dat de staat de weerspiegeling van de ziel van het volk moet zijn? Omgekeerd wil dat zeggen dat een staat, die niet op maat van zijn bevolking is gemaakt, onmogelijk goed kan functioneren. Lees: onefficiënt is.

Het bewijs van de juistheid van de stelling dat meer Vlaanderen noodzakelijk is om efficiënt te kunnen besturen, springt zelfs de politiek halve blinde in de dagelijkse feiten van vandaag in het gezicht. Doch dat, omgekeerd, efficiënt besturen onvermijdelijk leidt tot verwijdering van het Belgisch staatsverband, begint zich doorheen de praktijk van het Vlaamse regeringswerk eveneens steeds meer te manifesteren. Het is heel simpel en daarom in zijn bewijskracht onweerstaanbaar: de Vlaamse regering voert de noodzakelijke besparingen door, de Belgische regering slaagt daar niet in. Zij hoopt op betere tijden, waardoor besparingen niet langer hoeven. Maar die betere tijden zullen ook voor de Vlaamse regering nieuwe opportuniteiten brengen. Daardoor blijft België op achterstand. En zo zal opnieuw het bewijs worden geleverd dat wie efficiënt bestuurt, zich best verre van België verwijderd houdt.

Het enige wat voor België overblijft is een sentimenteel vendelgezwaai, een emotioneel relict uit het verleden.

Jaak Peeters

maandag 5 oktober 2009

Verdeeldheid versus eenheid

Dave Sinardet, een ‘politoloog’ aan de Unief van Antwerpen, had het in zijn opiniestukje van 5 oktober in De Standaard over het streven van de Partie Quebeqois naar een onafhankelijke Quebecse staat. Met een de roskammerigheid, eigen aan elke schoolmeester, wijst zijne Geleerdheid de Quebeqois terecht en houdt hij hen het voorbeeld van de Vlamingen – horresco referens ! – voor. Die baseren hun nationaal discours toch niet ook op het natiebeginsel, maar op principes zoals goed bestuur en efficiëntie, weet Sinardet.

Over Dave Sinardet is bekend dat hij allergisch is voor alles wat naar nationalisme riekt. En als ervaren psycholoog weet ik dat wie van een bepaald leerstelsel niet moet weten, daar doorgaans ook niet veel van snapt. Zulk inzicht zou tot elementaire bescheidenheid moeten aanzetten, maar die is er veelal niet bij. Zo zou Sinardet, bescheiden en open als hij is, zijn oor te luisteren kunnen leggen bij wat nationalisten daar zélf over vertellen. Doch dàt blijkt voor Sinardet en de meerderheid van de meute ‘politologen’ en commentaarschrijvers (m/v) die Vlaanderen rijk is, een brug te ver. Sinardet zou dan namelijk ontdekt hebben dat ‘de natie’ wel eens iets heel anders zou kunnen zijn, dan zijn vooringenomen voorstellingsvermogen daarover toestaat tot verschijning te komen... Het zij zo.

Laten we dan toch hopen dat de dames en heren politologen tenminste logisch redeneren. Weerom moet ik vervelend doen, want alvast Dave Sinardet redeneert NIET logisch. Met een verwijzing naar hét referentiepunt van het moment, de voor vrouwelijke bevalligheid niet ongevoelige Nicolas Sarkozy, beleert hij de Quebeqois, dat ‘de wereld meer eenheid en minder verdeeldheid nodig heeft.’ Je ziet hem daar zo staan, schoolmeester Dave, met het vingertje opgeheven en met milde gestrengheid zijn pupillen aankijkend. En dus moeten de Quebequois – en bij uitbreiding de Vlamingen – hun onafhankelijkheidsdromen maar opbergen.

Nu heb ik altijd geleerd dat een woord altijd het centrum is van een cluster van betekenissen. Het komt zelden voor dat twee dergelijke clusters elkaars perfecte tegengestelde zijn. Maar het komt wel vaak voor dat ze tenminste tegenover kunnen worden geplaatst. Weliswaar heffen ze elkaar niet op zoals de wiskundige min de plus opheft, maar ze liggen elk toch grotendeels langs de andere kant van de barrière.

Welnu: Sinardet denkt dat dit laatste het geval is met de termen die hij in zijn opiniestuk hanteert: eenheid versus verdeeldheid. Volgens hem komt het opgeven van het Quebeqoise separatisme overeen met het streven naar ‘eenheid’ en het vasthouden daaraan met ‘verdeeldheid’. Sinardets leraar logica moet nu zoals Cicero uitroepen: Oleum et operam perdidi! Het was alles voor niets! Mijn inspanningen leverden geen resultaat op! Want eenheid staat natuurlijk NIET tegenover verdeeldheid. Verdeeldheid staat tegenover eensgezindheid en een onafhankelijk Quebec kan in perfecte eensgezindheid samenwerken met een Engelstalig Canada. Eenheid, op zijn beurt, staat tegenover verscheidenheid. Met verscheidenheid is niets mis. Integendeel: zonder verscheidenheid is zoiets als democratie niet eens denkbaar.

Sinardet – ik voer hem hier op als het prototype van de Nieuwe Belgen – begrijpt niets van het grondstreven van het Vlaamse nationalisme en van het volksnationalisme in het algemeen. Nationalisten zoeken geen verdeeldheid, maar juist meer eensgezindheid. Die hopen ze te bereiken door de structurele wrijvingen onder volksgroepen weg te halen, door elke volksgroep verantwoordelijk te stellen voor haar eigen zaken. Ieder maakt zijn eigen rekening. Op die manier wordt de kans dat etnische spanningen de internationale samenwerking vergiftigen, aanzienlijk verkleind. Op het einde van de rit is er niet meer eenheid, maar wel meer eensgezindheid. En die werd bereikt door het erkennen en organiseren van verscheidenheid.

Moeilijk, niet?

Jaak Peeters

zondag 4 oktober 2009

Eenzaam

Half vier ‘s middags. Aan de ijzeren poort van de kleuterschool staat een meute moeders van kleuters, grootvaders en dito moeders hun kleine dreumesen op te wachten. Jonge en minder jonge vrouwen, die onder elkaar kakelen over het groeiritme van hun jongste, die alweer uit zijn of haar kleertjes is gegroeid. Grootouders die met nauwelijks verholen trots ronduit vertellen over wat hun kleinzoontje allemaal al kan en hoe vindingrijk het ventje al wel is. Och: het zijn de eeuwige verhalen. Ze komen altijd weer terug. Opvoeding loopt altijd hetzelfde.

Als de bel rinkelt haasten ze zich allemaal naar de klaslokalen, waar ze vervolgens elkaar aan de deur staan te verdringen om toch maar bij de eersten te zijn om hun kleuter op te vangen.
Gelijk veranderen de onderwerpen van de gesprekken als bij toverslag. Overal hoor je vragen hoe de klasdag is gelopen en wat ze vandaag op school geleerd hebben. De vertedering voor de kleine hummeltjes klinkt zò overal doorheen. Het kleine grut vertelt honderduit over de politieman die in de klas is komen vertellen dat je op straat altijd goed moet opletten en over de verkeerstekens die de juf vandaag in de klas heeft getoond. Ze leren snel, die kleine schepseltjes. Ze weten je perfect te vertellen dat je bij het rode licht moet stoppen en bij welk verkeersteken je met je auto moet doorrijden. Kinderen draaien niet rond de pot. Ze zeggen wat ze denken. En vaak is dat raak. Zo raak soms, dat je als volwassene moet slikken, want inconsequentie: dat kennen ze nog niet.

Vandaag hebben ze een boodschap meegekregen van de juf. Voor mama en papa. Niet voor opa of oma, dus krijgen die de boodschap niet te lezen. Juist is juist. Het is een briefje, deskundig getypt, een briefje dat ze zelf nog niet lezen kunnen en waar ze met grote zorg mee omgaan, als ware het een kostbaar relikwie. Het werd zorgvuldig opgeborgen in een tasje, dat de juf tijdens haar vrije dagen voor haar jonge leerlingen heeft gemaakt. Juffen hebben ervaring met peuters. Ze hebben mettertijd geleerd hoe je best te werk gaat, als je met succes een boodschap aan de ouders wil brengen.

Het is een gesnater van jonge mama’s die hun uiterste best doen om zich voorbeeldig van hun nieuwe taak als ouder te kwijten. En overal klinkt het gekwetter van het jonge volkje dat van geen zwijgen wil weten en hoor je de vertederde vragen van de trotse grootouders.
Op straat is er geen doorkomen aan. Met de auto is het telkens weer een avontuur – als je de kans krijgt om te vertrekken, want net als je de rijbaan op wil rijden, komt daar een mama aanrijden, met naast zich een klein kinderfietsje, waarop een peuter moedig probeert zijn eerste meters recht te blijven. Hier en daar weent een kleuter, nadat hij net van zijn fietsje is gevallen. Of er krijgt er eentje een reprimande, omdat hij of zij niet meteen doet wat de haastige mama of papa wenst. Vervolgens volgt een huilconcert. Weinig succesrijk protest tegen deze jachtige maatschappij.

Het is elke dag weer opnieuw hetzelfde ritueel, hetzelfde gewoel, hetzelfde gekwetter, dezelfde ouders, grootvaders en dito moeders. Elke dag dezelfde jonge mensen, dezelfde mensen uit hetzelfde dorp, aan dezelfde schoolpoort. Elke dag weer dezelfde gesprekken, altijd weer over dezelfde onderwerpen.

En elke dag is er ook weer dat ene enkele dametje dat daar eenzaam staat rond te drentelen. Ze blijft op een eerbiedige afstand van al de anderen. Het lijkt wel dat ze door iedereen wordt gemeden. Niemand spreekt haar aan. Ze neemt geen deel aan het gesprek. Ze staat daar, helemaal op haar eentje, ze lijkt wel te bedeesd, alsof ze zich niet onder de anderen durft te mengen. Vermoedelijk is ze een vriendelijk vrouwtje, maar weet ze met haar verlegen natuur geen blijf.

Maar dan blijkt dat ze een hoofddoek draagt. Jawel: het is een moslima. De enige daar aan de schoolpoort. De enige in het dorp? Ook haar kinderen zitten in de kleuterschool. Ze leren over de politieman en over de planeten en over alle andere dingen waarover ook al die andere kinderen leren. Ze joelen net als alle kinderen op de speelplaats en ze doen dat samen met al de andere kinderen. Ze vallen evengoed op de harde grond van de speelplaats, bezeren zich, wenen en worden door de juf liefderijk opgetild en getroost.

Hun mama echter: die is anders. Die mengt zich niet onder de andere mama’s en papa’s. Ze blijft afzijdig. Ze laat haar anderszijn ook duidelijk blijken. Zo duidelijk dat iedereen de boodschap begrepen heeft en niemand met haar contact zoekt. De afstandelijkheid is wederzijds.
Als de schoolbelt rinkelt, staat alleen zij niet aan de deur van het klasje te drummen. Ze staat lijdzaam te wachten, eenzaam, op haar eentje, wat verderop aan de schoolpoort, wachtend tot haar eigen dreumesen joelend naar haar toe komen gelopen. Meteen hoor je diezelfde dreumessen overschakelen: plots verloopt de conversatie in het Arabisch. Kinderen die een paar minuten geleden nog perfecte autochtone bengeltjes leken, zijn plots onherkenbaar veranderd in kleine Moslims.

Ook dit ritueel herhaalt zich elke dag.
Elke dag.
Steeds weer.
Neen: het luikt niet me die Moslims.
Jaak Peeters

woensdag 23 september 2009

Brussel loslaten?

De oproep van Frans Crols om Vlaanderens onafhankelijkheid uit te roepen met achterlating van Brussel, veroorzaakte een kortstondige wind in de media. Die is inmiddels alweer gaan liggen. Het feit heeft voor de hypocriete Vlaamse media zijn nieuwswaarde verloren. Toch blijft het niettemin levensgroot schijnen over de strategische kamers in Vlaanderen.

De opvatting van Crols berust op een beoordelingsfout – gesteld natuurlijk dat hij zijn uitspraken niet heeft bedoeld om het afwezige debat weer op te rakelen. De gedachte is namelijk dat Brussel überhaupt kàn worden achtergelaten. Quod non!
Dat wordt duidelijk bij een vergelijking van Brussel met New York. Behalve de enorme verschillen tussen beide steden – Brussel is een dorp, vergeleken bij New York – is er ook één uiterst belangrijk punt van overeenkomst. Beide steden functioneren als etnische en taalkundige smeltovens. Wie in New York terecht komt, spreekt in de kortste keren Engels. Engels is de lingua franca van de sociologische entiteit die New York heet. Meteen wordt New York soms de grootste Engelstalige stad genoemd. Die kwalificatie is betwistbaar, want er leven zowat tweehonderd verschillende nationaliteiten in New York. Spreken die ook thuis allemaal Engels? Natuurlijk niet. Engels is slechts de voertaal in het openbare leven. Thuis klinkt een babelse verscheidenheid van talen op, afkomstig uit alle windstreken. Bij het bezoek van Willem Alexander en Maxima aan New York, onlangs, bleek die stad een grote kolonie Nederlanders te herbergen. Die had kennelijk haar eigen taal helemaal niet verleerd.

Hier verschijnt wat de moderne grote stad op vele plaatsen in de wereld is geworden: een amalgaam, waarin mensen van allerlei origine met elkaar leven en daartoe het gebruik van één bepaalde taal als modus operandi hebben aangenomen. Dit is het multiculturalisme van vandaag. Vele Vlamingen deinzen voor deze werkelijkheid terug. De waarheid is, dat grote steden tegenwoordig vrijwel allemaal multicultureel zijn geworden – de Japanse en Chinese misschien uitgezonderd. Hoewel ook daar de moderne tijd toeslaat.

In New York is het Engels de lingua franca. In Brussel vervult het Frans die functie. Maar voorts is ook Brussel zo’n typisch amalgaam, een zogeheten multiculturele stad, waarvan sommigen aan de linkerzijde lyrisch worden, al is het niet erg duidelijk of ook zij zelf wel goed in de gaten hebben waarover ze eigenlijk de lofzang zingen.

Op die manier blijkt de problematiek van de multiculturele maatschappij en de staatkundige toekomst van Brussel met elkaar verbonden. Wellicht is dàt de werkelijke verdienste van de tussenkomst van Crols. Want Vlamingen verdringen al te veel de multiculturele werkelijkheid van vandaag, in plaats van zich af te vragen hoe ze die zouden kunnen beheersen. Het is erg twijfelachtig dat een verstandig man als Crols zélf gelooft dat Brussel zomaar uit Vlaanderen kan worden losgesneden en dat de Vlamingen dan voortaan gerust en ongestoord onder elkaar kunnen voortleven. Zelfs met een muur errond, ligt Brussel daar te liggen en strekt zijn sociologische invloed ver uit over het omliggende platteland, dat we allemaal knus en gezellig Vlaams willen houden. Brussel is namelijk een levende entiteit. Ze verandert bij voortduring. Wetten lopen per definitie altijd de feiten achterna.

Alleen sociologische feiten kunnen de toekomst van Brussel beïnvloeden. Maar de wil om op een actieve wijze met het multiculturele Brussel aan de slag te gaan en er een toekomst voor uit te stippelen die Brussel binnen Vlaanderen brengt, ontbreekt te enenmale. Integendeel: de voorzitster van de grootste zich Vlaams noemende partij blijkt te lijden aan het struisvogelsyndroom. Want hoe kan er sprake zijn van een overtuigende Vlaamse politiek die de sociologische omstandigheden in Brussel ten gunste keert, als je zelfs niet eens bereid bent om een relatief eenvoudig probleem als de splitsing van het kies- en rechterlijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde democratisch – in het Parlement dus – op te lossen?

Nochtans is het niet moeilijk om gelijk enkele krijtlijnen voor zo’n politiek te trekken. Wie de sociologische omstandigheden in Brussel wil veranderen ten voordele van het Nederlands, moet, om te beginnen, zorgen voor zeer prestigieuze Nederlandstalige aanwezigheid in Brussel. Secundo moet men de ogen openen voor een àndere sociologische realiteit: de aanwezigheid van de Europese Unie in Brussel bevordert het Franstalige karakter van die stad. Toch blijven ook goedmenende Vlamingen pleiten voor het opheffen van de activiteiten van het Europese parlement in Straatsburg. Men moet toch inzien dat in het voetspoor van die Europese instellingen massa’s immigranten van allerlei slag Brussel binnendrijven. En omdat Brussel op zich territoriaal nu eenmaal uiterst beperkt is, zwermen die uit over het naburige Vlaams-Brabant. En omdat de sociologie in Brussel het Frans als voertaal heeft, deint ook die Franse taal over Vlaams-Brabant uit. Heeft de ‘muur’ van Frans Crols zodoende geen enkele zin, dan rijst nog meer en torenhoog het volslagen gebrek aan staatkundig-sociologisch denken bij die politieke groepen, die zichzelf een staatsdragende functie hebben toegeschreven.

Nochtans zijn de feiten levensgroot. Zodoende blijken sommige “grote leiders” in het zelfde bedje ziek als die mensen, die de multiculturele feiten niet onder ogen willen zien. Alleen: voor figuren die zichzelf staatslui willen noemen, gelden geen verontschuldigingen. Of, wat nog erger zou zijn en tegelijk kwaadaardiger: zijn die lui helemaal niet geïnteresseerd in de toekomst van Vlaanderen of het behoud van het Nederlands? Zodat het niet verwonderlijk is dat er van ‘vijf minuten politieke moed’ geen sprake is.

Jaak Peeters

zondag 13 september 2009

Hoofddoeken ?

Het Antwerpse stormpje over de hoofddoekenkwestie is weer wat gaan liggen. Niet voor lang denkelijk, maar de luwte geeft ons de tijd even te verwijlen bij de betekenis van deze discussie.
De ‘moslima’s’ die beweren op eigen gelegenheid voor het dragen van die hoofddoek te kiezen, houden vol dat die ze die keuze in volle vrijheid maken. Er zijn maar weinig mensen die zulks geloven. Als men de kranten moet geloven – maar wie gelooft die mensen? – zou een en ander te maken hebben met druk binnen de zogeheten moslimgemeenschap. Er zou druk op de jongedames druk uitgeoefend worden en die zouden daarvoor door de knieën gaan.
Dat moge dan in sommige gevallen min of meer waar zijn: men vergeet een paar andere, essentiële waarheden.

Het lijkt namelijk moeilijk te betwisten dat deze jonge vrouwen zichzelf willen manifesteren, op dezelfde manier als jonge vrouwen dat overal en altijd willen doen. Net als jongemannen trouwens, die daarvoor weliswaar andere methoden gebruiken. De vraag die oprijst is waarom jonge moslimvrouwen in het sterk geseculariseerde West-Europa – ook op dit gebied bestaat er geen Europese Unie – zichzelf zo nodig op een andere manier willen manifesteren als hun niet-islamitische sexe- en leeftijdsgenoten. Waarom lopen jonge moslimvrouwen niet rond met spijkerbroeken die in de lenden veel te laag zijn waardoor sommigen zich moeten scheren, dunne bloesjes die hun vormen nauwelijks bedekken en een opzichtige haartooi? Als jonge mensen die op de drempel van het leven staan – zeventien, achttien jaar is toch de drempel van het leven, zou men denken – zich afzetten tegenover “de maatschappij”, dan doen ze dat op een opzichtige manier. Dat is al altijd zo geweest. Dat is onder deze jongeren niet anders. Waarom grijpen ze dan in hemelsnaam naar het hoofddoek, waarvan ze perfect weten dat precies dat hoofddoek een van de symbolen is van hun eigen achterstelling? Precies de achterstelling waartegen ze in opstand zouden moeten komen?

Naar te vrezen valt ligt de schuld van deze onbegrijpelijke keuze helemaal niet bij de druk vanuit de moslimwereld, waar precies daartegen zouden ze zich nu net met z’n allen en met succes kunnen verzetten. Ze zien toch ook wat er in het Afghanistan van de Taliban gebeurt? Men kan zich voorstellen dat ze, onder elkaar op de speelplaats van een Atheneum in Antwerpen waar ‘neutraal’ onderwijs wordt gegeven, voldoende steun bij elkaar vinden.

Kennelijk zetten deze jongeren zich af tegen de maatschappij zoals deze zich aan hen toont, en gebruiken ze daarbij die symbolen waarvan ze kunnen vermoeden dat deze symbolen die maatschappij tegen de borst zullen stoten. Anders werkt het protest niet.

Daaruit valt maar één conclusie te trekken: er is geen sprake van integratie en nog minder van assimilatie. Want als islamitische religieuze symbolen geschikt zijn om te dienen als katalysator van de het universele jongerenverzet tegen de maatschappij, wil dat zeggen dat die symbolen in hun leefwereld niet echt tot die vermaledijde maatschappij behoren. De Islam, zo blijkt dus, staat buiten de maatschappij. Meer zelfs: hij staat daar niet alleen buiten, hij staat er enigszins tegenover. Daardoor worden de islamitische symbolen bij uitstek geschikt als middel op de maatschappij, waartegenover men zijn eigen identiteit wil bevestigen, te prikken.

Welnu: hier toont zich het fatale failliet van de illusies van de multiculturele maatschappij.
Jarenlang heeft een bepaald links de wederzijdse verdraagzaamheid gepredikt en deze verdraagzaamheid vorm gegeven door de schepping van een multiculturele maatschappij. Daardoor heeft datzelfde links de segregatie, dat het in Zuid-Afrika met zoveel gemeend of voorgewend afgrijzen had bestreden, zélf alvast in aanleg ingevoerd.

Ook dat links wist verdomd goed dat een samenleving slechts kan bestaan, als ze gedragen wordt door een samenhangende, min of meer coherente publieke cultuur. Een samenleving die uit verschillende culturen bestaat, valt per definitie uit elkaar. Een multiculturele maatschappij is niet coherent – als de woorden tenminste nog enige betekenis hebben.

Dat uit elkaar vallen maken wij nu mee. Vele van de jonge vrouwen die thans naar het hoofddoek grijpen zijn zelf geporteerd voor een verregaande vorm van emancipatie. Dat nu net deze vrouwen naar een van de symbolen van hun eigen onderdrukking grijpen, zou voor een bepaald soort links een alarmbel moeten doen luiden. Links heeft de moslims in West-Europa (en hen niet alleen) de impliciete boodschap gegeven dat ze zich niet hoefden aan te passen. Dat ze het recht hadden op het behoud van hun eigen cultuur, hoewel links zeer goed wist dat dit een contradictie is. Ze hebben de conservatieve krachten binnen de islamgroepen de argumenten in handen gespeeld om elke integratie af te weren. En ze verschaffen jonge vrouwen nu een verkeerd middel om zichzelf in de ontplooiing van hun generatie te manifesteren.

Het hoofddoekendebat gaat niet over hoofddoeken. Het gaat over integratie – natuurlijk. Maar het gaat vooral over het failliet van de linkse, multiculturele maatschappij.
Jaak Peeters

woensdag 19 augustus 2009

Canossa of Reconquista?

De stelling dat de Midden-Oostelijke culturen strijdvaardiger en levenskrachtiger zijn dan de verweekte westerse, roept reacties op die niet onbeantwoord mogen blijven, al was het maar omdat het noodzakelijk is in deze moeilijke en kritieke materie een juiste, evenwichtige weg te vinden. De reacties beklemtonen dat de volkskracht van de Midden-Oostenvolken, zoals wij die percipiëren, het gevolg is van perverse onderdrukkingsmechanismen en niet van enige vorm van Moslimverlichting. Deze kritiek is, naar ik vrees, een schot in de roos, maar ze verandert niets aan de grond van de zaak, dat namelijk ‘ons’ Westen verweekt is en de Midden-Oostenaren krachtig en strijdlustig.

De volkskracht, zoals ik die omschreven heb, namelijk als het voortbrengen van toch maar weer kinderen ondanks alle onprettige vooruitzichten en als het vermogen om toch telkens weer recht te veren en de strijd aan te binden, is vooreerst het gevolg van de Islamitische gewoonte om meisjes zo jong mogelijk te doen trouwen en ‘op te zadelen’ met een hele sliert kinderen. Het gevolg van dat laatste is, vanzelfsprekend, dat vrouwen op geen enkele manier in het openbare leven aan de bak kunnen komen, want ze zitten aan hun huishouden vastgekluisterd. Overigens worden ze teruggejaagd naar hun huishouden als ze zich aan hun huishoudelijke plichten zoals mannen die opvatten onttrekken.


Aan de andere kant legt de Islam tegelijk de man de verplichting op om de eer van de familie, het vaderland, de Islam hoog te houden en in dergelijke primitieve samenlevingen gebeurt dit dan op een brutale, gewelddadige manier. Vanzelfsprekend wordt het strijdelement zodoende een centraal gegeven in de samenleving. De vrouw baart, de man strijdt, dat laatste op vele manieren. Populaire, nogal lapidaire samenvatting…

Er is dus terecht kritiek mogelijk op de volkskracht zoals de volken van het Midden-Oosten die tonen. Meteen is er al met al van enige vorm van Verlichting in de Moslimwereld op verre na geen sprake. Wie er wel mee begint, wordt van meetaf aan uitgestoten. Er zijn voorbeelden te over. Om derhalve dat beetje Verlichting vast te houden dat we in het Westen hebben verworven, moeten we ervoor zorgen dat deze primitieve (het woord werd bewust gekozen) Islamitische denkwijzen buitengaats worden gehouden. Onze houding kan dus niet anders zijn dan: ‘aanpassen of verhuizen’. En aanpassen betekent dan ook werkelijk: aanpassen. Niet thuis Arabisch spreken en in het Atheneum van Antwerpen het dragen van hoofddoeken gaan eisen. Aanpassen betekent: beseffen dat Vlaanderen westers is en dat wenst te blijven. Wie zich hier wil vestigen moet dus mee in die richting en in geen andere. Het is samen pompen of samen verzuipen. De toekomst is voortaan gemeenschappelijk. Zoniet moet men een retourkaartje kopen, enkele reis.

Komt dit neer op assimilatie? Ja. Zonder twijfel. En ik hecht eraan om dit, tegen al het modische multiculturele woordmisbruik in, te beklemtonen. Assimilatie is heel duidelijk. Op den duur verdwijnt het Moslimelement zodanig, dat het grotendeels onherkenbaar is geworden, of tenminste niet langer vergelijkbaar met wat we zien in het Midden-Oosten. Ook al zal het puur westerse op zich zeer zeker door de opneming van Islamitische elementen beïnvloed worden. Want het is een volstrekte illusie dat Europa kan blijven wat het is, na het opnemen van massa’s Islamitische immigranten, zelfs al gebeurt dat in de meest optimale omstandigheden. Daarover bestaan grondige en recente studies. Niettemin moet de Islam zoals we die nu kennen als relevante aparte en militant-missionaire maatschappelijke stroming op den duur ophouden te bestaan. De Islam als godsdienst kan alleen overleven als hij sterk gerelativeerd wordt, dit is: een onderdeel van de puur particuliere wereldbeschouwing van een deel van de bevolking is geworden.

Het alternatief is de sharia, en vermits die geen enkele Verlichting in zich draagt, zou zulks ook het einde van de westerse Verlichting betekenen. In deze situatie blijft de christelijke godsdienstige praktijk ook numeriek veel sterker dan de Islamitische. Beide leringen horen echter thuis in de persoonlijke levenssfeer.

Het is duidelijk dat dit laatste een heikel punt is. Elke godsdienst beweert antwoorden te geven op de grote vragen van het leven en de beslissende, voor het leven relevante gedragswijzen voor te schrijven. De gelovige staat dan telkens voor de uitzonderlijk moeilijke opdracht om te “schipperen” tussen de godsdienstige leringen die hij aanhangt en de maatschappelijk algemeen geldende gedragswijzen.

Welnu: precies op dit gebied, dus in het “schipperen”, vindt men volgens mij de ware Verlichting. Ik denk dus dat een verlicht leven voor een gelovige veel moeilijker is dan voor iemand die zich niet tot enige dogmatische lering bekent. Maar dat is een andere discussie. Een verlicht mens lijkt me in ieder geval een mens die in het leven met rede en verstand kan “schipperen”. Dit “schipperen” is niet: plantrekkerij, maar bestaat eruit telkenmale de meest evenwichtige keuze te maken. Dat kan inderdaad op bepaalde momenten de verplichting oproepen geweld te gebruiken.

Verlichting is dus niet zozeer een politieke toestand – hoewel die als omkaderende voorwaarde noodzakelijk is en de Verlichting historisch dat ook is. Verlichting is een zijnswijze, een gedragswijze en dito houding, net zoals democratie er een is. Op deze manier opgevat, is Verlichting zo oud als mensen filosoferen en denken. Een individu is verlicht, dat wil zeggen: het licht van een redelijke wijsheid – een woord dat te veel in onbruik is geraakt door ons rechnende Denken – moet te allen tijde de gedachten van het individu beschijnen. De Verlichting zit in onze geesten. Ze zweeft niet rond, ergens in de lucht, als een geest of zoals de muze. Dat geldt zelfs al voor de uitsluitend politiek opgevatte Verlichting.

Op deze manier geformuleerd is Verlichting voor een bijzonder kleine minderheid weggelegd. Je moet een kei zijn, als je bij machte bent om op haast elk moment evenwichtig te schipperen. Daarom moet de Verlichting begeleid worden door een leidend principe. In mijn visie is dat: een esthetische zienswijze. Die kenmerkt zich door respect voor wat is, respect voor de intrinsieke waarde van wat zich aandient. Een welbegrepen ecologie kan een aanzet in die richting vormen.

De historische Verlichting van de achttiende eeuw voldoet aan deze eis niet. De Franse Revolutie was brutaal, onverdraagzaam, gebaseerd op de gevoelens van een getraumatiseerde massa. Ze werd door sommigen voorzien van het predikaat “satanisch”. Dat lijkt me sterk overdreven, maar de toestanden die tot de uitbarstingen aanleiding hebben gegeven, stonden het ontstaan van een ware geestelijke Verlichting in ieder geval in de weg.

Volgens het principe dat geweld altijd tegengeweld oproept, en dus trauma’s de oorzaak van nieuwe trauma’s zijn, werd de verdere historische afwikkeling van onze geschiedenis gekenmerkt door een politieke en maatschappelijke strijd, maar ze ging grotendeels voorbij aan wat echt op de agenda stond: de Verlichting van de geest – de Kantiaanse Verlichting, zeg maar, ook al kende ook Kant de betekenis van de politieke Verlichting onder Frederik maar al te goed.
Zo komen we uit op een hedendaagse, eenentwintigste-eeuwse westerse beschaving die een eenzijdige vorm van politiek-maatschappelijke Verlichting heeft geïmplementeerd. Omdat de echte geestelijke Verlichting te veel ontbreekt, ontbreekt ook de zelfkritiek die nodig is bij elke evenwichtsoefening en dus nodig is om een samenleving te vormen, waarin verschillende strekkingen al dan niet harmonieus kunnen samenleven. Een samenleving heeft echter behoefte aan een leidend beginsel, want anders fractioneert ze volledig. We hebben in het Westen dat leidend beginsel gezocht en gevonden in een egoïstisch materialisme. Egoïstisch, omdat dit zweemt naar Verlichting en materialistisch, omdat dit weergeeft dat we afstand nemen van een Kerk die het eeuwenlang voor het zeggen had en we het recht opeisen om ons eigen voordeel na te jagen.

Mijn stelling luidt dat dit alles een hoogst onsmakelijk mengsel vormt. Als een dergelijke beschaving opbotst tegen een veel primitievere Islamitische maatschappij, die de scrupules van zelfs een halve Verlichting helemaal niet kent en er dus ongehinderd op los kan slaan, moet zij het pleit verliezen. Alles wijst erop dat het Westen zich steeds meer vastbijt in zijn egoïstisch materialisme, ook omdat dit nu juist het meest opvallende uiterlijke teken is van zijn vermeende superioriteit tegenover de Islam. Vervolgens produceert het Westen een vreemd mengsel van diepe angst voor de Islam, vermeende grootmoedigheid en voorgewend universalisme. Terwijl aldus de westerling verweekt of verwijft – althans de meerderheid –, wordt hij aan de andere kant door een uiterst curieuze wetgeving tot zwijgen gedwongen en daardoor nog meer in zijn materialisme – zijn cocon – gedrukt en verliest hij de weerbaarheid en de strijdlust die minder scrupuleuze culturen dan weer te overvloedig bezitten.

Als er één positief element kan verborgen zitten in de massale – veel te massale, naar valt te vrezen – immigratie van Islamieten in onze cultuur, dan moet dat gezocht worden in de kans, dat hun strijdbaarheid aanstekelijk werkt. Als tegenprestatie moeten zij dan meegaan op de weg naar een ware en volledige geestelijke Verlichting. Die weg kunnen ze samen met de autochtonen afleggen.

Alleen zal dat een aartsmoeilijke weg zijn, zelfs voor autochtonen.
Ik zie met de beste wil van de wereld geen andere verteerbare toekomst voor onze landen. Alle andere wegen leiden, dunkt me, of naar Canossa of naar de met militaire middelen doorgevoerde reconquista.

Men kieze zelf.

Jaak Peeters

dinsdag 18 augustus 2009

Een tanende beschaving?

Vakantietijd is de tijd om het soort boeken te lezen, dat je anders opzij legt. Omdat ze te dik zijn, bijvoorbeeld. De grote beschavingsoorlog van de Britse journalist Robert Fisk is er zo eentje. Het is een kanjer: bijna twee kilo zwaar en ruim veertienhonderd bladzijden lang. Neen: niet vol illustraties en tekeningen. Zo krijg je namelijk al snel wat bladzijden bij elkaar. Het boek van Fisk is vrijwel uitsluitend tekst, op wat schaarse landkaarten na.

De man moet er lang aan gewerkt hebben. Hoewel. Wie zijn wedervaren als oorlogscorrespondent neerschrijft, herinnert zich daarbij de momenten dat hem de kogels in de meest letterlijke zin rond de oren floten. Fisk beschrijft zo’n gebeurtenis. Hij voegt er meteen een zeer wijze beschouwing aan toe. Wij, westerlingen, die geen oorlog hebben gekend tenzij van horen zeggen en uit films, voelen de realiteitswaarde van de gruwelijkheid die oorlog is niet meer aan. Fisk wijst erop dat het wel even duurt voor die realiteitswaarde van zo’n militaire moordpartij begint door te dringen. Oorlog is doden! Niets anders. Zoveel mogelijk mensen kapotmaken. Het maakt niet uit hoe, als ze maar dood zijn. Het is écht, wie gedood werd verdwijnt voorgoed uit het bestaan. Westerlingen schijnen vaak te denken dat oorlog iets is als een Hollywoodprent in het groot. Een soort weggelopen film. Daarin vallen ze ook als vliegen, om vervolgens, als de opname voorbij is, samen weer naar huis te wandelen. Maar oorlog is geen Hollywood: het is echt. Wie dat aan den lijve heeft ondervonden, wie de kogels werkelijk om de oren heeft weten fluiten, zal geen moeite hebben deze indringende belevingen nadien te vertellen.

Het verbaast me niks dat Fisk 1.400 bladzijden nodig had om de stoom af te blazen. Bij dat ‘doden’ maken de meeste westerlingen zich bovendien nog verkeerde voorstellingen. In een oorlogsfilm zie je weliswaar soldaten vallen, neergeschoten of door bommen en granaten omhooggesmeten of neergeworpen in een roes van neerdwarrelend stof. Maar ook dat is niet de realiteit. Die is namelijk veel rauwer. Doden in een oorlog betekent: kapotgereten lichamen, bloedspatten overal, hersenen die uit de schedel werden geslagen, de hand van een gedode kameraad oprapen, zijn afgeschoten hoofd voor je zien voorbijrollen, de ogen wijdopengesperd van de angst. Oorlog betekent rondslingerende, nog warme darmen, krijsen, schreeuwen, brullen, reutelen. Het zijn ontploffingen die het gehoor meteen voorgoed beschadigen. Het gefluit van de overvliegende projectielen. Het huilen van de motoren van laagvliegende jets. Het gedaver van voorbijrollende tanks. Oorlog is gifgas, bacteriologische bommen die doen kokhalzen, de buiken doen opzwellen in een orgie van helse pijnen tot de verlossende dood erop volgt.

Dat is ‘doden’ in een oorlog. Kapotmaken. Vermassacreren. Afslachten. Ik herinner me het moment dat men besloot de promovendi van de militaire academie in Brussel een universitaire titel toe te kennen. Voortaan zouden ze de titel van ‘licentiaat in de humane wetenschappen’ voeren. Humane wetenschappen? Ik zou veeleer zeggen: INhumane wetenschappen!

Als ik dat allemaal zo bedenk, kan ik alleen maar akkoord gaan met hen, die er zowat alles voor over hebben om te voorkomen dat er nog ooit een oorlog uitbreekt. Montaigne had gelijk. Mensen zijn wreedaardige dieren. Het is verschrikkelijk.

En toch. Er is iets dat me dwarszit. Als ik terugdenk aan het monumentale geschrift van Fisk, dan valt me vooral op hoe de Moslimbeschaving leugen, list, bedrog, omkoperij, corruptie, geweld en onderdrukking als normale politieke actiemiddelen opvat. Je kunt daarover eindeloze beschouwingen uitwerken. Over ‘achterlijkheid’ en zo van die dingen. Ik weet niet of een vergelijking met het ‘ontwikkelde’ westen zoveel verschil op zou leveren.

Maar daarover wil ik het niet hebben. Overigens vervallen we op die manier, naar ik vrees, al snel in gemeenplaatsen. Het gaat erom dat de volkeren van het Midden-Oosten in een gewelddadige wereld leven. Neem nu de Koerden: zij worden in Turkije vervolgd en in Irak werden ze door Sadam Hoessein vergast. En toch blijven die Koerden doorvechten. Zij blijven ijveren voor de vrijheid van hun volk. Dàt is het punt. Dat is het ongelooflijke, het voor verweekte westerse geesten ondenkbare. Ze gaan door, ondanks alles. Denk maar niet dat al dat moorden, branden en verkrachten de mensen uit dat gebied ertoe brengt dan maar géén kinderen meer op de wereld te zetten opdat die toch al die miserie niet zouden moeten meemaken. Zoiets hoor je vrijwel dagelijks om je heen.

Maar niets daarvan! Die volkeren blijven maar kinderen op de wereld zetten. Alsof ze denken dat als er maar genoeg kinderen zijn, er altijd wel voldoende zullen overblijven. Dàt is het, wat mij opvalt.

Ik sta in bewondering voor deze houding. Ze getuigt van een enorme levenswil, van een onblusbare levenskracht, van de felle wil om voort te bestaan en de moeilijkheden te overwinnen, hoe groot die ook zijn mogen. Ze getuigt ook van een diep-sociale zin. “Misschien zullen MIJN kinderen het niet overleven, maar dan toch wel de jouwe!” Want het zijn tenslotte toch allemaal ‘kinderen van ons volk’ – zo schreef Anton Coolen het ooit. Jaja: ook bij ons bestond ooit diezelfde levenskracht.

Waar ze die diep-sociale zin vandaan halen, op welke manier en onder welke vorm ze die sociale zin tot uiting brengen, doet hier niet terzake: het gaat me om het blote feit dat die volkeren in het hopeloos instabiele Midden-Oosten getuigenis afleggen van een levenskracht waarvan wij, verwijfde westerlingen, alleen maar kunnen dromen – als we aan zoiets zelfs nog maar denken, natuurlijk.

Uit het boek van Fisk bulkt onweerstaanbaar die vitale levenswil van die volkeren. Elke bladzijde legt daarvan getuigenis af. Ze worden gegeseld en gemarteld – vaak letterlijk –, maar ze staan weer recht en zetten het leven voort. Plaats daar het Westen tegenover, dat niet eens bij machte is zichzelf biologisch in stand te houden. Europa kan zijn bevolking alleen maar op peil houden door mensen uit andere streken in te voeren. Teren op de biologische levenskracht van andere volkeren, noem ik het.

Ik weet niet wat ik daarover moet denken. De Verlichting die wij in Europa hebben gekend heeft een ‘knik’ in de geschiedenis van onze beschaving gebracht: ze bracht de politieke vrijheid van elk individu binnen bereik. Men zou hierover samen met Kant moeten juichen, want op zich is dat een uniek moment in het historische bestaan van de menselijke soort.

En toch juichen we niet. Velen zouden het liefst zelfs die Verlichting uitgommen, de klok terugdraaien – als dat te enenmale mogelijk zou zijn. Het is alsof we allemaal beseffen dat er een onsmakelijke keerzijde aan de medaille van de Verlichting vastzit. Want wie aan Verlichting en Moderniteit denkt, kan er niet omheen: je moet ook denken aan materialisme en aan egoïsme en vooral: aan de combinatie van deze twee, het materialistisch egoïsme. Vooral sinds de laatste oorlog. En denken aan de hypocrisie van onze tijd, die in eigen land ongeboren kinderen laat aborteren – en heus niet omdat ze mismaakt zijn – en intussen het geweten sust door miljarden door te sluizen naar vaak corrupte regimes en systemen in arme landen – die we eerst arm hebben helpen maken in de koloniale tijd en vervolgens door de EU die gesubsidieerde landbouwoverschotten op de locale markten dumpt en zo de lokale landbouw kapotmaakt – en tegelijk elke dissidente stem in eigen land voor inquisitoire rechtbanken te brengen.

Hoe dat alles maar mogelijk is, daarover wil ik hier geen uitspraken doen. Evenmin wens ik me uit te spreken over al die feiten en gebeurtenissen in het Midden-Oosten, noch over de terechte – naar mijn oordeel – overtuiging dat de Verlichting een waarlijk historische kans zou kunnen zijn. ‘Zou’. Want ze is niet af, ze is verre van af, die Verlichting. Het komt me zelfs voor dat de echte Verlichting nog moet beginnen. Maar ook dat is een andere discussie.

Intussen is er, wat er is. En dat is veel meer dan niets. Daarover gaat het dus niet. Waar het mij nu om gaat is het immense verschil tussen die levenskrachtige Midden-Oostenwereld van gepijnigde en getergde volkeren die ondanks alle geweld en al die gruwelijkheden, toch in het leven blijven geloven en dat Westen – voornamelijk Europa – dat zich wel schijnt uit te putten in een cynisch egoïstisch profitariaat van een après-nous-le-déluge-geest en elke vorm van collectieve levenswil schijnt opgegeven te hebben. En dat laatste nota bene, nadat het zélf de wellicht meest humane boodschap uit de menselijke geschiedenis voortbracht: de Verlichting, een boodschap haast waarvoor je warempel je leven zou geven. Wie de vergelijking maakt tussen dat letterlijke moordende leven in het Midden-Oosten en het gepamperde materialisme van Europa, ontkomt niet aan de pijnigende indruk dat die geroemde Westerse beschaving op haar laatste benen loopt.
Jaak Peeters

vrijdag 14 augustus 2009

Single

De eerste vraag die je moet beantwoorden op je belastingsbrief, betreft de gezinssamenstelling. De opties staan netjes in chronologische volgorde: eerst ongehuwd, dan gehuwd (of samenwonend) en tenslotte gescheiden. Blijkens de statistieken doet de tweede optie het niet zo goed meer. Oorzaak: meer mensen zetten de stap tot gezinsvorming niet, of op latere leeftijd en meer gezinnen ontbinden door scheiding. Mensen die deel uitmaken van een koppel, vormen nu een minderheid.


Die vaststelling noopte Yves Desmet ergens einde juli tot een meninkje in zijn krant (in komkommertijd weliswaar), waarin hij een belangrijke, schromelijk onderbelichte en mogelijk achtergestelde doelgroep onthulde: de 'singles'.

Desmet ziet dat er tal van (minderheids-)groepen zijn in de samenleving, die bijzondere aandacht genieten van de overheid, maar dat er voor de (meerderheids-)groep van de 'singles' nog geen speciale programma's en voordeelpakketten zijn uitgerold. Onrecht! Hij wil dringend ondersteunende maatregelen voor de specifieke noden van alleenstaanden.

Zo kan ik ook commentaartjes brouwen. Je zoekt een categorie mensen waarvan je meent dat ze een bepaalde gemeenschappelijke nood hebben, en klaagt de overheid aan dat ze niks doet, zonodig kracht bijgezet met het woordje 'discriminatie'. Een techniek die goed is voor een commentaartje voor elke dag van het jaar, als je wilt.

Waarom peilt Desmet niet naar de maatschappelijke betekenis van die evolutie naar single-schap? Waarom vraagt hij zich niet af hoe die evolutie tot stand komt? Waarom is het blijkbaar niet nodig zich af te vragen waar die evolutie heen zal leiden? Hoe relateert zich dit tot de waardepatronen waarmee ook een 'onafhankelijk' commentator de wereld beschouwt? Is het vanzelfsprekend dat een overheid ondersteunende programma's zou opzetten, zonder dat deze analyses zijn uitgevoerd? Of meent Desmet dat de taak van de overheid zich beperkt tot het lenigen van enkele oppervlakkige materiele behoeftes, en dat diepgaandere bezinning over de toestand en evolutie van de samenleving tijdverlies is? Waarom komt die oproep er trouwens nu pas? Er zijn immers altijd alleenstaanden geweest, met net dezelfde noden.

Ik gooi de verdachtmaking dan maar meteen op tafel: Desmet is niet zozeer bezorgd om het welzijn van de 'singles', wiens mensenrechten en basisbehoeftes echt niet in het gedrang zijn, maar zet gewoon een volgend stapje in de systematische afbraak van alles wat ooit de traditionele samenleving en haar hoeksteen, het gezin, heeft uitgemaakt. Democraat als hij is, stelt hij vast dat er een nieuwe meerderheid is ontstaan, die meteen ook de toon zal zetten in de nieuwe maatschappelijk orde.

Daarom heeft hij ook geen analyse nodig. Die zou immers alleen maar aan het licht brengen dat die nieuwe maatschappelijke grondtoon vals klinkt. Een "samenleving" is niet gediend met een meerderheid van "singles". Alle confortmaatregelen ten spijt, zal een maatschappij van "singles" ten onder gaan in een gebrek aan groeidynamiek en samenlevingszin, met rechtstreekse en nefaste effecten op welstand en welzijn van de volgende generatie(s).

Of is er een andere reden waarom Desmet -die slim genoeg is om dezelfde analyse te maken- geen bezorgdheid uit over het maatschappelijk effect van de waargenomen evolutie? Heeft hij het moeilijk een waarschuwing te communiceren? Vreest hij dat zijn lezerspubliek -singles zijn wellicht de grootste krantenlezers- het verkeerd zou oppakken? Wil hij de politici ook een pleziertje gunnen, die liever 'leuke dingen' doen voor 'singles' -klaar tegen de volgende kiesronde-, dan uit te zoeken hoe ze een ontsporende samenleving terug op de rails kunnen helpen, om ze van erger kwaad te behoeden? Dat laatste zou wellicht enkele onpopulaire maatregelen en ditto communicatie vergen...


Rond dezelfde periode vond in Amsterdam echter het World Congress of Families plaats. Die internationale bijeenkomst vond in De Morgen geen weerklank (vanzelfsprekend, want deze organisatie staat als conservatief gebrandmerkt), maar er werd wel de juiste, soms onaangename, analyse gemaakt.


Nederlands aartsbisschop mgr. Eijk, een van de sprekers op het congres, analyseerde de toestand als volgt: "The guiding principle of current Dutch family law – and of many other European countries – is relational, sexual and reproductive self-determination. Selfdetermination, however legitimate unto a certain extent, is never absolute. The human being is never living on his own, but always in relationships to other people and with his Creator. Essential for the human being is that he is a social being. That is why he can only do justice to himself if he does justice to others. [...] Recognition of the fundamental structures of human existence requires more than only recognition by positive law. The point is whether people recognize the basis of law or not. [...] The Universal Declaration of Human Rights also refers to what goes beyond law, i.e. what has to be respected by positive law in order that this be right and is really based on the truth concerning the value of the human person. Thus the Universal Declaration of Human Rights declares all members of the human family do have inalienable rights. Therefore human rights do not exist only because people grant these rights to other people, but because they are given within the fundamental structure of the human existence. Among inalienable human rights the Universal Declaration of Human Rights proclaimed by the General Assembly of the United Nations in 1948, enumerate the rights of the family."

Desmets visie is er duidelijk een van postief recht en als het aan hem ligt, wordt de wettenwedloop alleen maar versneld. Daarmee verliest de politiek meer en meer de werkelijke rechtvaardigheid uit het oog, de basis van het recht, de natuur van de mens en van de samenleving. Desmet zit in een doodlopend straatje. De dogma's van zijn geloof belemmeren hem de wereld te aanschouwen zoals hij werkelijk is.

Vic Mortelmans

woensdag 8 juli 2009

Kleuterkamp

Onze kinderen van drie en vier zitten een hele week op kamp. Eigenlijk is het gewoon een soort van veredelde kleuterschool waar een hele week rond een bepaald thema wordt gespeeld en geknutseld. Dat is een goed concept voor ouders die gedurende de schoolvakantie moeten werken of die zo'n kamp gewoon een goeie manier vinden om hun kinderen een creatieve en sociale dagvulling te bezorgen.

In verschillende kranten werd er over deze kampen bericht, omdat het concept heel erg in de lift zit. Het is op zich nauwelijks nieuws te noemen, want rond het probleem van kinderopvang is altijd veel te doen. Eerder dan de nieuwswaarde, was de strekking van de artikelen interessant. De boodschap was duidelijk een vingerwijzing naar tweeverdienende ouders die geen tijd (over) hebben voor de opvang (opvoeding) van hun kinderen. Daarom werd er ook over 'kampen' gesproken, terwijl er geen overnachtingen of andere 'kamp'-rituelen bij te pas komen.

Tot zover weer het gehalte aan 'serieux' van onze (kwaliteits-)pers... Men vraagt zich trouwens af of de redacties niet met opzet suggestief en provocatief schrijven, om meer mensen naar de internetdiscussies te lokken, wat hen extra advertentie-klikken oplevert. Ook het kleuterkampartikel kon een heel aantal lezers in de pen lokken.

De reacties van de lezers zijn voorspelbaar, maar toch de moeite om te bekijken. Heel wat ouders trokken in het verweer tegen de licht-verholen aanklacht van het artikel en stellen dat zo'n 'kamp' voor hun kinderen juist leuk is en er geen praktische alternatieven zijn voor zomerse kinderopvang. Anderen doen er nog een schepje bovenop en beschuldigen ouders hun kinderen liever 'uit te besteden' om hun tijd te kunnen besteden aan carriere en geldbejag.

Daarom is het wel goed van de krant erover te publiceren; er blijkt immers heel wat 'maatschappelijke relevantie' in dit onderwerp schuil te gaan. Het fenomeen van de kleuterkampen is echter slechts een topje van een ijsberg. Bovendien is het slechts een van de meer aangename antwoorden op vraagstukken die worden veroorzaakt door tal van maatschappelijke veranderingen, die allemaal hun weerslag hebben op het gezin, de samenstelling ervan en de verschillende rollen die vaders, moeders en grootouders erin spelen.

Dat kleuterkampen een stimulans zijn voor het gezins- of familieleven zal niemand beweren, maar groot kwaad moet men er ook niet in zoeken. Dat de kleuterkampen niet als vanzelfsprekend worden gezien, is op zich een goed teken: het toont aan dat heel wat mensen begaan zijn met het gezinsleven en bezorgd zijn als de natuurlijke rol van de ouders (en grootouders) aangetast wordt.

Het is wel eigenaardig dat die bezorgdheid opeens een pak kleiner lijkt, als het over andere problematieken gaat die gezins- of kindbedreigend zijn, zoals echtscheiding, psycho-pathologisering en fundamenteel ethische problemen als abortus. Zelden vindt men op de internetpagina's van de krant bij artikels over deze onderwerpen aanklachten die even heftig zijn als de aanklachten aan het adres van de ouders van 'kamp-kleuters'.

Even de proef op de som: vorige week verscheen in DS een artikel over tienerouders, waarin o.a. werd meegedeeld dat "over de afgelopen tien jaar het aantal bevallingen bij tieners relatief stabiel bleef, terwijl het aantal abortussen steeg." -- aantal reacties: 0. Grasduint men door oudere artikels die rechtstreeks of onrechtstreeks over abortus gaan, blijkt dit een constante... geen weerklank bij de lezers.

Over gedragsstoornissen wordt vrij weinig bericht. Begin juni verscheen er echter nog een artikel waarin de Christelijke Mutualiteit zich bezorgd toonde over het overdadig gebruik van rlatine -- 0 reacties.

Over echtscheidingsproblematiek wordt op twee manieren bericht, ofwel heel zakelijk, als het bijvoorbeeld over de hervorming van juridische procedures gaat -- aantal reacties bij een handvol artikels gedurende laatste maanden: 0 -- ofwel sensationeel, als het over BV's gaat zoals Yasmine of Morel, of in het kader van familiedrama's. Uit deze laatste soort van artikels wordt in de discussies wel opgepikt dat echtscheidingen veel leed kunnen veroorzaken, maar als keuze op zich wordt een echtscheiding niet in vraag gesteld.

Er is dus duidelijk een subjectieve gevoeligheid in de publieke opinie. Fundamentele ontwrichtingen worden als vanzelfsprekend aanvaard en op schertsproblemen worden overgereageerd. In zo'n intellectuele conjunctuur is het onmogelijk een open discussie op te starten over de problemen die de fundamenten van de Westerse cultuur aantasten: de nataliteit en de opvoeding.

De natuur van de mens is echter niet moeilijk te kennen. Ze geeft een duidelijk verschil aan tussen mannen en vrouwen, tussen kinderen en volwassenen. De biologische band tussen kinderen en ouders is onuitwisbaar. Dezelfde natuur omvat een hoge roeping, want de mens is tot het allerhoogste in staat en kan zichzelf blijven overtreffen, maar tegelijk is de natuur gekenmerkt door gebreken en door verscheidenheid. Al deze fundamentele kenmerken van de menselijke natuur, komen in de eerste plaats tot uiting in het gezin.

Inzoverre het gezin door beleidslieden niet wordt gedegradeerd tot een los samenlevingsverband van individuen, wordt er rond gezingsproblematiek slechts gesleuteld in de marges. Tijdskrediet en kinderopvang zijn mooi en ontlasten ontredderde ouders, al dan niet in ontwrichte gezinssituaties, maar vervangen niet de duurzame partnerband, de hechte familierelatie en de huismoeder waarop het gezinsleven in zijn natuurlijke orde kan stoelen. Echtscheiding, toediening van psychofarmaceutica en ethische rampen zoals abortus verdienen niet de term 'oplossing' voor problemen die veel dieper in het maatschappelijk weefsel wortelen. Ze krijgen die titel integendeel wel, omdat de werkelijke oplossingen teveel inbreuk maken op enkele nieuwe 'verworvenheden', die luisteren naar ronkende namen als 'gelijkheid', 'vrijheid', maar zeker niet minder 'welzijn' (lees: 'welstand'). Dit zijn echter niet de gelijknamige idealen van de Verlichting, maar een infantiele interpretatie ervan, die me doet denken aan een tafereel van kinderen die op een berg speelgoed zitten, en niet tot spelen komen, omdat ze het te druk hebben uit te maken of het speelgoed wel 'gelijk' verdeeld is en of elk wel 'vrij' zijn goesting kan doen en omdat ze eigenlijk alleen maar geinteresseerd zijn in het speelgoed waarmee de ander aan de slag is.

Hoe lang duurt het nog vooraleer we de dogma's kunnen doorbreken van de godsdienst die de menselijke natuur heeft geofferd op het altaar van deze regressieve interpretatie van de Verlichting?

Vic Mortelmans

zondag 14 juni 2009

Een verontrustende vraag

Asielrecht is een heilig recht. Het zal je maar overkomen: je krijgt in je land waar je voorouders als sinds mensenheugenis wonen eensklaps te maken met een regime dat jou plots tot ‘ongewenst persoon’ verklaart. Dan ben je maar wat blij als je opgelucht de bodem van een buurland betreedt, waarna je je lijf en dat van je familie tenminste veilig kunt achten. Het hatelijke fenomeen van uitdrijving van ongewenste personen begeleidt helaas de historische gang van de mensheid doorheen zijn geschiedenis. Altijd weer waren er mensen en groepen die voor nieuwe machthebbers plots ongewenst waren. De Joden, de protestanten, de katholieken, de Zigeuners, de Koerden, de Basken – jawel: ook in het hedendaagse Europa bestaat zoiets. Naar te vrezen valt zal deze kwaal altijd blijven bestaan. Zolang bedenkelijke machtsregimes aan de macht kunnen komen, bestaat de kans dat mensen in hun eigenste geboorteland plots gevaar lopen van kant te worden gemaakt.

Dat risico bestaat overal. De as van het kwaad is potentieel overal aanwezig. Jazeker, meneer Bush. Je moet daar niet zo selectief bij doen. De wereld indelen in goed en slecht lijkt me veel te simplistisch. Stel je voor dat de lieden die de N-VA-ers op een schip wilden laden en dat dan vervolgens midden op de oceaan tot zinken wilden brengen werkelijk de macht in handen zouden krijgen. Overigens hoeft het niet altijd te gaan om gevaar voor het leven. Je kan ook getroffen worden door wanstaltigheden zoals het beruchte Berufsverbot. Stel je voor. Je bent arts en nog een goede ook. Maar je staat toevallig ook bekend als een overtuigde Vlaming. En dan komt daar echt het soort lieden aan de macht dat het maritieme voorstel van hierboven formuleert…

Jaja: het is boven elke twijfel verheven. Asielrecht is een heilig recht. We moeten het koesteren. Als dientengevolge mensen voor een hen vijandig regime op de vlucht slaan en in Vlaanderen asiel vragen, moeten we die vraag met de grootst mogelijke welwillendheid onderzoeken. En met dat onderzoek verdorie geen jaren wachten. Die procedure duurt nu veel te lang. Moet je je dat voorstellen. Je bent op de vlucht omdat je vreest van kant te worden gemaakt, opgesloten, gemarteld of je familie gemolesteerd of nog andere dergelijke fraaie dingen. Als het om zoiets gaat, is de menselijke fantasie onuitputtelijk. Markies De Sade heeft voor ons een inventaris gemaakt. Maar in de twintigste eeuw hebben we geleerd dat die inventaris verre van volledig was.

Zodus: je bereikt heelhuids de bodem van een andere staat, waar je hopen mag dat tenminste je leven veilig is. Men duwt je bij je aankomst vooreerst in een overvol asielcentrum, gelijk pas gevangen haringen in een tonnetje. Of in een complex dat voor een opvangcentrum moet doorgaan. En daarna moet je wachten. Wachten. Wachten. En nog steeds wachten. Weken, maanden, jazelfs: jaren. Er zijn er die meer geluk hebben en in hotelkamers terecht komen. Maar ook zij moeten vervolgens wachten… Voor mensen die van een spannend leven houden bezit zoiets misschien een aantrekkelijk kantje. Maar ik betwijfel of er veel lieden rondlopen die erg opgezet zijn met dergelijk ‘spannend leven’.

Dit alles gezegd hebbend, horen niettemin enkele kritische vragen gesteld. Wil men me eens even uitleggen waarom er in dit land nog steeds asielzoekers binnenstromen uit landen zoals Bosnië en Kosovo? Daar huist toch die fameuze NAVO-macht, die orde op zaken moet houden? En de Congolezen? Want d’er zijn nogal wat asielzoekers uit dat land. Niemand betwist dat sommige mensen in bepaalde volksgroepen in Congo op z’n zachtst ‘ongewenst’ zijn. Maar betekent dat ook dat die mensen zo nodig naar Europa moeten kunnen om nota bene asiel te vinden?

Ik geef maar enkele voorbeelden. Op dit punt aangekomen begint mijn meer dan gemiddeld ontwikkelde kritische zin op te spelen. Als een Bantoe zich niet veilig voelt middenin een Sanomgeving, dan volstaat het dat hij een paar honderd kilometer – zo groot is dat land – oostwaarts trekt, om zich voortaan veilig te kunnen voelen. Maar Europa ligt verder weg. Er klopt iets niet met de manier waarop tegenwoordig met het asielrecht wordt omgesprongen. Asielrecht is uitgevonden om mensen op te vangen die op de vlucht zijn voor politiek geweld van welke aard. Mensen dus die om etnische redenen of omwille van hun geloof, huidskleur of welke eigenschap dan ook in levensgevaar komen als ze hun biezen niet pakken.

Maar mij bekruipt de ongemakkelijke gedachte dat in sommige delen van de wereld en in sommige milieus voor dat begrip een andere betekenis is gaan postvatten. Asielrecht lijkt wel het recht om zich te vestigen in die delen van de wereld waar het goed is om leven – beter alleszins dan de plek waar men tot dan toe leefde. Dat lijkt me oneigenlijk gebruik van asielrecht. Ik gebruik niet graag de term misbruik. Het klinkt zo scherp. Niet dat mensen niet het recht hebben om een goed leven te leiden. Maar de uitoefening van het asielrecht is wel even iets anders dan het recht om zich in de meest welvarende delen van de wereld te vestigen. Zo zou je met reden kunnen volhouden dat wie vindt dat hij het recht heeft om goed te leven, ook het recht moet hebben om die goede toestand te verwerven – en dus een einde te maken aan de toestand van ellende, waarin hij en wellicht met hem vele anderen tot dan toe leefden. Simpel gezegd: hij moet ervoor werken. Dat hebben onze voorouders ook moeten doen. En hij heeft het recht om de vruchten van zijn noeste arbeid zélf te plukken. En op dat punt scheelt er wat. Zeker weten. Maar dat is een àndere kwestie.

En ja: er bestaat ook een recht op rechtmatige hulp en op steun vanwege de meer welvarende delen van de wereld. Maar dat is nog altijd geen asielrecht. En overigens: men moet dat oneigenlijk gebruik van het asielrecht ook niet wegmoffelen onder verhullende woorden zoals economische vluchtelingen. Goed: je gaat elders je kansen beproeven. Dat mag. Maar er moet echt wel meer aan de hand zijn, als je over asielrecht wil spreken. Hoe miserabel ook het leven van vele mensen ook zijn moge: asielrecht is van een andere orde. Je kansen elders beproeven is toegestaan, maar is dat ook een heilig recht? Je mag altijd proberen, en op de vlucht slaan voor de miserie waarin je leeft, daar niet van. Maar je leven staat niet op het spel. En dus moet je niet op diezelfde goedgunstige welwillendheid rekenen, waar echte asielzoekers recht op hebben.

Welwillendheid is namelijk ook aan erosie onderhevig. Als steeds meer autochtonen het gevoel krijgen dat een loopje wordt genomen met de juiste betekenis van het begrip ‘asiel’, dan neemt op den duur de welwillendheid zélf af. Ik weet niet of dat loopje werkelijk wordt genomen. Maar het feit dat de vraag wordt gesteld is op zich al erg verontrustend.

Jaak Peeters